Een longembolie ontstaat als een bloedstolsel een van de slagaders afsluit die bloed van het hart naar de longen brengen. Jaarlijks krijgen zo’n 12.000 mensen in Nederland een longembolie, meldt de Trombosestichting. Het is een van de weinige aandoeningen waarbij minuten echt tellen, en ook een van de meest verkeerd begrepen. De test die er het vaakst mee in verband wordt gebracht, de D-dimeer, wordt door patiënten vaak precies verkeerd om gelezen: ze zien een hoge waarde en denken meteen het ergste.

In dit artikel lees je bij welke symptomen je meteen 112 of de huisarts belt, hoe artsen een beslisregel combineren met de D-dimeer om te bepalen wie een scan nodig heeft, wat troponine, natriuretische peptiden, bloedgassen, het bloedbeeld en de nierfunctie toevoegen, wanneer onderzoek naar een stollingsstoornis helpt en wanneer het misleidt, en hoe lang de behandeling meestal duurt.

Een longembolie is een spoedgeval: wanneer bel je direct?

Wacht niet op een bloedtest, een afspraak of tot een klacht overgaat. Thuisarts adviseert om direct je huisarts of de huisartsenpost te bellen bij een of meer van deze klachten. Bel 112 als iemand flauwvalt, erg benauwd is of als je denkt dat het levensgevaarlijk is.

  • Plotseling moeilijker ademen of benauwd zijn, in rust of bij heel weinig inspanning
  • Pijn op de borst die scherper wordt als je inademt, hoest of plat ligt; pijn in je ribbenkast of bovenin je rug
  • Bloed of slijm met bloed ophoesten
  • Flauwvallen, bijna flauwvallen, of het plotselinge gevoel dat je in elkaar zakt
  • Een snelle hartslag, vooral samen met benauwdheid
  • Lippen of vingertoppen die grauw of blauw worden

Drie regels zijn net zo belangrijk als de lijst met klachten. Rijd niet zelf, want een longembolie kan je plotseling het bewustzijn laten verliezen achter het stuur. Wacht niet op uitslagen, want de diagnose wordt gesteld in het ziekenhuis. En praat het niet weg omdat de pijn mee lijkt te vallen: grote stolsels geven soms weinig klachten, terwijl kleine heel pijnlijk kunnen zijn. Ook als je al bloedverdunners gebruikt en deze klachten krijgt, is het een spoedgeval.

Wat is een longembolie en waar komt het stolsel vandaan?

De rechterkant van je hart pompt zuurstofarm bloed naar de longslagaders. Die vertakken zich door beide longen, zodat het bloed zuurstof kan opnemen. Als een stolsel in een van die takken vastloopt, krijgt een deel van de long nog wel lucht, maar geen bloed meer. Er wordt minder zuurstof opgenomen, de ademhaling versnelt, en de rechterkant van het hart moet tegen een nauwer circuit in pompen.

Wat is trombo-embolie? Een trombosebeen is meestal de bron

De meeste stolsels in de long ontstaan niet in de long. Ze ontstaan in de diepe aders van kuit, dij of bekken, een diepe veneuze trombose (trombosebeen), schieten los en reizen via het hart naar de longen. Volgens de Trombosestichting heeft ongeveer 70% van de mensen met een longembolie ook een trombosebeen. Een dik, warm, pijnlijk of verkleurd onderbeen verdient dus aandacht, vooral aan één kant. Maar veel mensen met een longembolie hebben helemaal geen klachten aan hun been, dus zonder zwelling is niets uitgesloten. Artsen vatten beide problemen samen onder één naam: veneuze trombo-embolie (VTE). In het Engels heet een longembolie pulmonary embolism en VTE venous thromboembolism.

Waarom het hart een rol speelt

Als een groot deel van de longcirculatie is afgesloten, raakt de rechterkamer overbelast. Die overbelasting onderscheidt een stolsel dat thuis behandeld kan worden van een stolsel dat intensieve bewaking nodig heeft. Daarom komen hartmarkers voor in onderzoek dat op het eerste gezicht alleen over de longen gaat.

Longembolie symptomen, ook de klachten die je makkelijk mist

Het klassieke beeld is plotselinge benauwdheid met scherpe pijn op de borst die erger wordt bij inademen, soms met hoesten. Maar het beeld verschilt sterk, en juist de stillere vormen zijn gevaarlijk omdat ze worden weggeredeneerd. De Trombosestichting noemt ook een bleke huid, hartkloppingen, een plotselinge prikkelhoest, zweten en verhoging of koorts.

  • Onverklaarde benauwdheid bij de trap die vorige week nog makkelijk ging
  • Een hartslag in rust die hoger is dan normaal, zonder duidelijke oorzaak
  • Licht in je hoofd bij opstaan, of onverklaard flauwvallen
  • Angst of zweten die samen met de benauwdheid opkomen
  • Lichte koorts die voor een luchtweginfectie wordt aangezien
  • Pijn, zwelling of een strengachtig gevoel in één kuit

Ouderen, mensen met een bestaande hart- of longziekte en vrouwen die zwanger zijn of net zijn bevallen, krijgen de diagnose vaak laat, omdat benauwdheid bij hen veel andere verklaringen kan hebben.

Wat verhoogt de kans op trombose en longembolie?

Stolsels ontstaan als het bloed langzamer stroomt, als een aderwand beschadigd is, of als het bloed makkelijker stolt dan normaal. Bij de meeste mensen spelen twee of drie van deze factoren samen.

  • Stilliggen of stilzitten: ziekenhuisopname, bedrust, gips om je been, of een lange reis van ongeveer vier uur of meer in een krappe stoel
  • Een operatie of ongeluk, vooral een operatie aan heup of knie
  • Kanker en sommige kankerbehandelingen, die het bloed makkelijker laten stollen
  • Zwangerschap, de zes weken na de bevalling, en anticonceptie of hormoontherapie met oestrogeen
  • Een erfelijke neiging tot stolling en het antifosfolipidensyndroom
  • Overgewicht, roken, hogere leeftijd en een eerder stolsel bij jezelf of een naast familielid

Bij oestrogeen is de stijging van het risico echt, maar voor de meeste gezonde niet-rokers in absolute zin klein. Het telt vooral als het samenkomt met roken, een eerdere trombose of een lange vlucht. Veel mensen willen voor dat gesprek met hun huisarts ook de afkorting voor de anticonceptiepil op een recept begrijpen.

Hoe bepaalt de arts of je een scan nodig hebt?

De diagnose is een volgorde van stappen, niet één test. Wie een stap overslaat, mist stolsels of geeft onnodig straling.

  • Eerst de klinische kans inschatten. In Nederland gebruikt de huisarts volgens de NHG-Standaard voor longembolie de YEARS-beslisregel. Die kijkt naar drie dingen: tekenen van een trombosebeen, bloed ophoesten, en of longembolie de meest waarschijnlijke diagnose is. Andere bekende hulpmiddelen zijn de Wells-score, de herziene Geneva-score en de PERC-regel.
  • Dan de D-dimeer, gekoppeld aan die beslisregel. Volgens het NHG is een longembolie bij 0 YEARS-items onwaarschijnlijk als de D-dimeer lager is dan 1000 ng/ml (1,0 mg/L), en bij 1 tot 3 items als de D-dimeer lager is dan 500 ng/ml (0,5 mg/L). Daarboven is beeldvorming nodig. Bij een hoge klinische verdenking is een normale D-dimeer niet geruststellend genoeg.
  • Bevestigen met beeldvorming. Een CT-scan van de longvaten met contrast (CT-angiografie of CTPA) is de standaard: contrastvloeistof maakt de longslagaders zichtbaar, zodat een stolsel als een gat te zien is. Een ventilatie-perfusiescan is het alternatief als contrast niet veilig is, en een echo van de beenaders beslist soms zonder longscan.

Het NHG schrijft dat met een beslisregel en een D-dimeer bij ongeveer de helft van de patiënten verwijzing voor een scan kan worden vermeden. Twee verfijningen hebben de praktijk veranderd. De leeftijdsgecorrigeerde afkapwaarde verhoogt de D-dimeergrens bij mensen boven de 50, in plaats van één getal voor elke leeftijd. En de YEARS-aanpak, ontwikkeld in Nederland, koppelt de grens aan hoe verdacht het klinische beeld is. Beide bestaan om veilig scans te vermijden die toch niets zouden vinden.

De D-dimeer-uitslag begrijpen

D-dimeer is een brokstukje dat overblijft als het lichaam een al gevormd stolsel afbreekt. De waarde stijgt zodra er ergens in het lichaam stolling en afbraak plaatsvinden. Daarom is de test sterk in de ene richting en zwak in de andere.

Een test om uit te sluiten, niet om aan te tonen

D-dimeer is zeer gevoelig maar weinig specifiek. Simpel gezegd: als je echt een stolsel hebt, is de test vrijwel zeker verhoogd. Een normale uitslag bij iemand met een lage of matige klinische kans is dus echt geruststellend, en een scan is dan meestal niet nodig. Andersom klopt niet. Een verhoogde D-dimeer zegt alleen dat er ergens stolsel wordt afgebroken; niet waar, niet waarom en niet of het in je longen zit. Los gelezen geeft het getal meer onrust dan informatie. Daarom wordt het altijd samen met een beslisregel beoordeeld.

Wat de waarde nog meer verhoogt

De gewone afkapwaarde ligt rond 500 ng/ml (0,5 mg/L) in fibrinogeen-equivalente eenheden, maar de precieze waarde en eenheid hangen af van de test die je laboratorium gebruikt. Uitslagen zijn dus niet zomaar te vergelijken tussen ziekenhuizen. Veel gewone situaties duwen een uitslag boven die grens.

SituatieWaarom de D-dimeer stijgt
Zwangerschap en de weken na de bevallingDe stollingsactiviteit stijgt vanzelf tijdens de zwangerschap, dus de waarde loopt per trimester op
Infectie, zoals longontsteking en bloedvergiftigingOntsteking zet het stollingssysteem in het hele lichaam aan
Recente operatie of groot letselBij weefselherstel worden kleine stolsels gevormd en afgebroken
Actieve kankerVeel tumoren maken het bloed stollingsgevoeliger
Hogere leeftijdDe basiswaarde stijgt met de leeftijd, vandaar leeftijdsgecorrigeerde grenzen
Lever- of nierziekte, en in het ziekenhuis liggenAndere afbraak en bijkomende ziekten verhogen de basiswaarde

Een positieve D-dimeer betekent dus niet dat je een stolsel hebt. Het betekent dat de vraag nog openstaat en beeldvorming nodig is om haar te beantwoorden. Meer details lees je in onze uitleg over de D-dimeer-uitslag.

Ander bloedonderzoek rond een vermoedelijke longembolie

Is het stolsel bevestigd, dan verschuift de vraag van ‘of’ naar ‘hoe ernstig’, en of behandeling veilig is. Het NHG adviseert de huisarts om bij een vermoeden ook creatinine en eGFR te bepalen, met het oog op vervolgonderzoek en behandeling.

TestWat het toevoegt
TroponineEiwit dat vrijkomt als de hartspier onder druk staat; een verhoogde waarde wijst op overbelasting van de rechterkamer en op nauwere bewaking
BNP of NT-proBNPHormoonfragmenten die vrijkomen als een hartkamer wordt opgerekt; samen met troponine en een echo gebruikt om laag risico van middelhoog risico te scheiden
Arteriële bloedgasMeet zuurstof, koolzuur en zuurgraad direct; laat zien hoeveel gaswisseling verloren is, al sluit een normale uitslag een stolsel niet uit
BloedbeeldControleert hemoglobine (in mmol/L) en bloedplaatjes voordat bloedverdunners beginnen, en laat bloedarmoede of infectie zien die benauwdheid kan verklaren
Kreatinine en eGFRNierfunctie wordt gecontroleerd voor contrastvloeistof en om de dosis bloedverdunner te kiezen
Protrombinetijd en APTTStollingstijden als uitgangswaarde voor de behandeling, en om sommige behandelingen te volgen

Elke test heeft eigen referentiewaarden en kanttekeningen. Het kan helpen om uitleg over troponine te lezen, uitleg over BNP of de vergelijkbare uitleg over NT-proBNP, en uitleg over het bloedbeeld. Voor een scan met contrast controleren artsen je kreatininewaarde samen met de eGFR (geschatte nierfunctie). De stolling bij de start wordt vastgelegd met een protrombinetijdmeting en een APTT-meting.

Onderzoek naar trombofilie: wanneer het helpt en wanneer het misleidt

Trombofilieonderzoek zoekt naar een erfelijke of verworven neiging tot stolling: factor V Leiden, de protrombinegenvariant, een tekort aan proteïne C, proteïne S of antitrombine, en antifosfolipide-antistoffen. Het is de test waar patiënten het vaakst om vragen, en die het vaakst op het verkeerde moment wordt gedaan.

De timing is het hele probleem. Tijdens een acuut stolsel en terwijl je een bloedverdunner gebruikt, geven verschillende van deze testen een misleidend antwoord. Een actief stolsel verbruikt stollingsremmers, heparine verlaagt de antitrombineactiviteit, vitamine K-antagonisten verlagen proteïne C en proteïne S, en DOAC’s verstoren de tests op lupusanticoagulans. Een uitslag onder die omstandigheden kan afwijkend lijken terwijl er niets erfelijks is, of normaal terwijl dat wel zo is. Het NHG is duidelijk: bij een VTE zonder trombose in de familie is onderzoek naar trombofilie niet nodig, omdat de uitslag niets verandert aan de behandeling. Specialisten doen het soms wel, meestal pas na de behandeling, als het antwoord een beslissing verandert: een stolsel zonder aanleiding op jonge leeftijd, een ongewone plek, herhaalde miskramen of een sterk familiepatroon. Vraagt je arts dit pakket aan, dan is uitleg over antitrombine III een goed begin.

Longembolie behandeling, hoe lang die duurt en de kans op een tweede stolsel

Wat kan je doen bij een longembolie?

De behandeling heeft twee doelen: voorkomen dat het stolsel groeit terwijl het lichaam het oplost, en het volgende stolsel voorkomen. Antistollingsmiddelen, meestal bloedverdunners genoemd, lossen een bestaand stolsel niet op. Ze zetten het proces stil, zodat de natuurlijke afbraak het kan inhalen. Volgens het NHG zijn DOAC’s en vitamine K-antagonisten (VKA’s) even effectief, maar gaat de voorkeur uit naar een DOAC vanwege het gebruiksgemak en een lager risico op bloedingen. Bij een VKA werkt de huisarts samen met de trombosedienst. Heparine en VKA’s blijven de voorkeur houden bij zwangerschap, ernstige nierschade, antifosfolipidensyndroom en sommige vormen van kanker.

Bij een groot stolsel dat een gevaarlijk lage bloeddruk geeft, kunnen stolseloplossende medicijnen (trombolyse), een katheterbehandeling of een operatie nodig zijn. Een filter in de holle ader is een optie als bloedverdunners onmogelijk zijn. Bijna iedereen wordt minstens drie maanden behandeld. Wat daarna gebeurt, hangt af van waarom het stolsel ontstond.

  • Uitgelokt door een tijdelijke factor zoals een operatie, gips of een lange vlucht, die nu weg is: de behandeling stopt meestal na drie maanden, omdat het risico op herhaling weer richting normaal daalt.
  • Uitgelokt door een blijvende factor, zoals actieve kanker of een erfelijke hoogrisicoaandoening: de behandeling gaat meestal door zolang de factor blijft.
  • Niet uitgelokt (idiopathisch), zonder aanwijsbare oorzaak: langere of blijvende behandeling wordt vaak aangeraden, omdat het risico op een nieuw stolsel hoger blijft. Dat wordt afgewogen tegen het risico op bloedingen.

Longembolie herstel en overlevingskans

Herstel gaat niet in één keer. Benauwdheid bij inspanning en minder conditie duren vaak weken tot maanden. Volgens de Trombosestichting blijft ondanks goede behandeling de helft van de mensen langdurig benauwd en lichamelijk beperkt; dat heet het post-longembolie syndroom. Een longembolie is ernstig: in Nederland overlijden er per dag drie mensen aan. Snel herkennen en behandelen maakt het verschil. Wie een VKA gebruikt, leert snel wat de INR-waarde betekent, want de trombosedienst stuurt de dosis op dat getal.

Nieuwste wetenschappelijke inzichten

Onderzoek van de afgelopen drie jaar ging minder over nieuwe medicijnen en meer over een scherper diagnostisch pad en de behandelduur afstemmen op elke persoon. Dit voegt het toe, in gewone taal.

Een kansschatting op maat

Onderzoekers, onder wie Nederlandse, bundelden de individuele gegevens van meer dan 28.000 mensen met een vermoedelijke longembolie uit zestien studies. Ze bouwden een model dat voor elke persoon de eigen kans schat, door gewone klinische gegevens te combineren met de D-dimeerwaarde. Gegevens per persoon samenvoegen heet een individuele-patiëntdata-meta-analyse, een van de betrouwbaardere manieren om zo’n hulpmiddel te maken. Wat betekent dit voor jou? In plaats van één grens voor iedereen wordt je D-dimeer steeds vaker gelezen tegen jouw eigen profiel. Dat vermindert het aantal scans bij mensen die er nooit een nodig hadden.

Aangepaste D-dimeergrenzen zijn veilig, binnen grenzen

Een overzicht uit 2024 vergeleek leeftijdsgecorrigeerde grenzen met grenzen die zich aanpassen aan de klinische kans (zoals YEARS). Beide sluiten bij de juiste patiënten veilig een stolsel uit, maar ze gedragen zich anders: de leeftijdsgecorrigeerde aanpak is iets veiliger en sluit minder mensen uit, de kansgerichte sluit er meer uit en laat minder marge. Wat betekent dit voor jou? Is je D-dimeer licht verhoogd en ben je ouder dan 50, dan is dat alleen misschien geen reden voor een scan. Vragen welke grens is gebruikt, is redelijk.

Welke D-dimeertest je lab gebruikt, doet ertoe

Een analyse uit 2025 van een grote diagnostische studie testte bewaarde monsters opnieuw met vijf verschillende D-dimeertests. Ze deelden patiënten niet allemaal hetzelfde in: met twee tests zou een handvol mensen met een bevestigd stolsel bij een leeftijdsgecorrigeerde grens negatief zijn uitgevallen. Wat betekent dit voor jou? D-dimeerwaarden van verschillende ziekenhuizen zijn niet uitwisselbaar, en een uitslag hoort te worden beoordeeld door het team dat hem aanvroeg.

Stoppen met behandelen om het risico te testen lijkt veilig

Een systematisch overzicht uit 2025 met meer dan 11.000 mensen vond dat een stolsel in de eerste maand na het stoppen met bloedverdunners weinig voorkomt, ongeveer bij één op de honderd, in de samengevoegde gegevens nooit dodelijk, en ongeveer tweeënhalf keer vaker na een niet-uitgelokt stolsel. Wat betekent dit voor jou? Stelt je behandelaar een korte pauze voor om je eigen risico op herhaling in te schatten, dan heeft die aanpak redelijk bewijs.

Langer is niet vanzelf beter

Een systematisch overzicht uit 2025 van 22 gerandomiseerde studies vond dat in de eerste behandelfase langer dan zes maanden doorgaan weinig extra bescherming gaf, terwijl het risico op ernstige bloedingen ongeveer verdubbelde. Voor preventie op lange termijn na een niet-uitgelokt stolsel verminderde doorgaan wel zowel herhalingen als sterfte, maar ook dan met meer bloedingen. Wat betekent dit voor jou? De behandelduur is een echte afweging en geen vaste regel, en verdient een expliciet gesprek.

Woordenlijst

BegripBetekenis
AntistollingsmiddelMedicijn, vaak bloedverdunner genoemd, dat stolling vertraagt. Lost een bestaand stolsel niet op, maar laat het niet groeien terwijl het lichaam het opruimt.
CT-angiografie (CTPA)CT-scan met contrastvloeistof die de longslagaders zichtbaar maakt, zodat een stolsel als een gat te zien is. De gebruikelijke bevestigende test.
D-dimeerBrokstukje dat overblijft als het lichaam een stolsel afbreekt. Gebruikt om een stolsel uit te sluiten, niet om het te bewijzen.
Diepe veneuze trombose (trombosebeen)Stolsel in een diepe ader, meestal in kuit, dij of bekken. De meest voorkomende bron van een longembolie.
Sensitiviteit en specificiteitSensitiviteit is hoe goed een test mensen vindt die de aandoening echt hebben. Specificiteit is hoe goed hij voorkomt dat gezonde mensen worden aangewezen. D-dimeer scoort hoog op het eerste en laag op het tweede.
Uitgelokt en niet-uitgeloktEen uitgelokt stolsel heeft een duidelijke aanleiding, zoals een operatie of lange vlucht. Een niet-uitgelokt (idiopathisch) stolsel heeft die niet en komt vaker terug.
TrombofilieErfelijke of verworven neiging om makkelijker stolsels te vormen dan normaal.
Veneuze trombo-embolie (VTE)Verzamelnaam voor trombosebeen en longembolie, omdat het stadia van hetzelfde proces zijn.
YEARS-beslisregelIn Nederland ontwikkelde beslisregel met drie vragen (trombosebeen, bloed ophoesten, longembolie meest waarschijnlijk) die samen met de D-dimeer bepaalt of een scan nodig is.
TrombosedienstDienst die in Nederland de behandeling met vitamine K-antagonisten begeleidt en de dosis instelt op basis van de INR.

Veelgestelde vragen

Kun je een longembolie hebben zonder het te weten?

Ja, en dat gebeurt vaker dan de meeste mensen denken. Kleine stolsels in de buitenste takken van de longslagaders geven soms niet meer dan wat benauwdheid bij inspanning, een zeurende hoest of een vage pijn opzij in de borst. Sommige worden toevallig gevonden op een scan voor iets anders. Precies daarom telt het patroon van klachten meer dan hoe erg één klacht is: nieuwe, onverklaarde benauwdheid die niet past bij hoe je normaal bent, is het melden waard, ook als je je dag nog kunt doorkomen.

Wat is het eerste teken van een longembolie?

Bij de meeste mensen is dat plotselinge benauwdheid, vaak zonder duidelijke aanleiding en soms in rust. Pijn op de borst die scherper wordt bij inademen komt daarna het vaakst voor, en een snelle hartslag gaat vaak met beide samen. Er is echter niet één betrouwbaar eerste teken, en een deel begint met flauwvallen, licht in het hoofd zijn of plotseling veel minder kunnen. Iedereen met plotselinge benauwdheid plus pijn op de borst, bloed ophoesten of flauwvallen moet dit als spoedgeval behandelen en direct de huisarts, huisartsenpost of 112 bellen, in plaats van de klachten met een lijstje te vergelijken.

Betekent een hoge D-dimeer dat ik een bloedstolsel heb?

Nee. Een verhoogde D-dimeer betekent dat er ergens in je lichaam stolling en afbraak plaatsvinden. Dat gebeurt bij zwangerschap, infectie, na een operatie, bij kanker, bij lever- of nierziekte en gewoon op hogere leeftijd. De test is waardevol omdat een normale uitslag bij iemand met een lage of matige kans een longembolie heel onwaarschijnlijk maakt, zodat een scan vermeden kan worden. Een hoge uitslag bevestigt op zichzelf niets; het betekent dat beeldvorming nodig is. Het getal lezen zonder de klinische situatie waarin het is aangevraagd, is de vaakste vergissing die patiënten met deze test maken.

Moet ik na een longembolie getest worden op een stollingsstoornis?

Meestal niet routinematig, en bijna nooit tijdens de acute fase of terwijl je een bloedverdunner gebruikt, omdat beide de uitslagen vertekenen. Het NHG zegt dat onderzoek naar trombofilie zonder trombose in de familie niet nodig is, omdat de uitslag de behandeling niet verandert. Het is vooral nuttig als het antwoord iets verandert, bijvoorbeeld bij een stolsel zonder aanleiding bij een jonger iemand, een stolsel op een ongewone plek, herhaalde miskramen of een sterke familiegeschiedenis. Als het gebeurt, meestal na de behandeling, bespreek je de uitslag het best met een internist of hematoloog.

Hoe lang moet ik bloedverdunners gebruiken?

Minstens drie maanden, voor bijna iedereen. Daarna hangt het af van waarom het stolsel ontstond. Verklaart een tijdelijke aanleiding zoals een operatie of lange vlucht het, en is die weg, dan stopt de behandeling vaak na drie maanden. Verklaart een blijvende aandoening zoals actieve kanker het, dan gaat de behandeling meestal door zolang die aandoening er is. Werd er geen aanleiding gevonden, dan wordt vaak langere of blijvende behandeling aangeraden, afgewogen tegen jouw risico op bloedingen. Dit is een gezamenlijke beslissing, en het is redelijk om te vragen wat jouw kans op herhaling en op bloedingen is.

Kan vliegen een longembolie veroorzaken?

Lange vluchten verhogen het risico een beetje, vooral door urenlang stilzitten in een krappe houding en niet door de luchtdruk in de cabine. Het effect neemt toe met de duur van de vlucht, ongeveer vanaf vier uur, en telt veel meer als er andere factoren zijn, zoals een recente operatie, zwangerschap, anticonceptie met oestrogeen, overgewicht of een eerder stolsel. Praktische stappen helpen: loop af en toe door het gangpad, beweeg je enkels en kuiten als je zit, drink water en zit niet lang met je benen over elkaar. Heb je meerdere risicofactoren, vraag je huisarts dan voor je reis naar steunkousen of andere preventie.

Bronnen

  • Nederlands Huisartsen Genootschap — NHG-Standaard Diepe veneuze trombose en longembolie — richtlijnen.nhg.org, 2023 (laatst aangepast 2025) — richtlijnen.nhg.org
  • Thuisarts (NHG) — Heb ik longembolie? — Thuisarts.nl, geraadpleegd 2026 — thuisarts.nl
  • Trombosestichting Nederland — Longembolie — trombosestichting.nl, geraadpleegd 2026 — trombosestichting.nl
  • van der Hulle T, Cheung WY, Kooij S, et al. — Simplified diagnostic management of suspected pulmonary embolism (the YEARS study): a prospective, multicentre, cohort study — The Lancet, 2017 (Engelstalig) — doi.org/10.1016/S0140-6736(17)30885-1
  • Thuisarts (NHG) — Spoed: wie bel je? — Thuisarts.nl, geraadpleegd 2026 — thuisarts.nl
  • Centers for Disease Control and Prevention — About Venous Thromboembolism (Blood Clots), 2024 (Engelstalig) — cdc.gov
  • MedlinePlus, National Library of Medicine — Pulmonary Embolism, 2026 (Engelstalig) — medlineplus.gov
  • Mayo Clinic — Pulmonary embolism: symptoms and causes, 2024 (Engelstalig) — mayoclinic.org
  • van Es N, Takada T, Kraaijpoel N, et al. — Diagnostic management of acute pulmonary embolism: a prediction model based on a patient data meta-analysis — European Heart Journal, 2023 (Engelstalig) — doi.org/10.1093/eurheartj/ehad417
  • Righini M, Robert-Ebadi H, Le Gal G — Age-adjusted and clinical probability adapted D-dimer cutoffs to rule out pulmonary embolism: a narrative review of clinical trials — Journal of Clinical Medicine, 2024 (Engelstalig) — doi.org/10.3390/jcm13123441
  • Robert-Ebadi H, Combescure C, Bulla O, et al. — Different D-dimer assays with age-adjusted cutoffs to exclude pulmonary embolism: secondary analysis of the ADJUST-PE study — Journal of Thrombosis and Haemostasis, 2025 (Engelstalig) — doi.org/10.1016/j.jtha.2025.04.007
  • Eischer L, Kyrle PA, Kaider A, et al. — The incidence of early recurrent venous thromboembolism: a systematic review and meta-analysis — Research and Practice in Thrombosis and Haemostasis, 2025 (Engelstalig) — doi.org/10.1016/j.rpth.2025.103317
  • Li A, Khatib R, Lopes LC, et al. — Duration of primary/secondary treatment to prevent recurrent venous thromboembolism: a systematic review and meta-analysis — Blood Advances, 2025 (Engelstalig) — doi.org/10.1182/bloodadvances.2024015371

Verder lezen

Begrijp je labuitslag met BloodSense

Onderzoek naar een longembolie levert op één middag een stapel getallen op: een D-dimeer, een troponine, een natriuretisch peptide, een bloedbeeld, nierfunctie en stollingstijden. Weken later staan die getallen nog in je patiëntportaal, zonder veel uitleg erbij. BloodSense leest je labuitslag en legt in gewone taal uit wat elke waarde meet en wat een uitslag buiten de referentiewaarden van je lab in het algemeen betekent. Je krijgt ook een lijst met vragen om aan je huisarts te stellen.

Laat je labuitslag binnen enkele minuten uitleggen

De informatie op deze pagina is bedoeld als uitleg en vervangt geen consult bij je huisarts. Bij levensgevaar: bel 112. Het BloodSense-rapport wordt gemaakt door kunstmatige intelligentie, alleen ter informatie. Het is geen diagnose en geen behandeladvies.