Bloedgroep: zo lees je de uitslag van je bloedgroepbepaling (ABO en rhesus)

Je bloedgroep vertelt bij welke van de acht bekende bloedgroepen je hoort, en die ene regel op je labuitslag heeft meer praktische betekenis dan bijna elke andere waarde. Hij bepaalt welk donorbloed een ziekenhuis je veilig kan geven, hij speelt een rol in de zorg tijdens een zwangerschap en hij blijft je hele leven hetzelfde. Toch staat de uitkomst vaak alleen als korte code op de uitslag, zoals ‘O pos’ of ‘A neg’, zonder uitleg. In dit artikel lees je wat een bloedgroepbepaling precies meet, hoe je de termen op een labuitslag leest, welke bloedgroepen bloed van elkaar kunnen krijgen, waarom de rhesusfactor zo belangrijk is bij zwangerschap en wat nieuw onderzoek heeft veranderd.
Wat meet een bloedgroepbepaling?
Een bloedgroepbepaling kijkt welke erfelijke kenmerken op je rode bloedcellen zitten. Die kenmerken zijn eiwitten of suikers op de buitenkant van de cel en heten antigenen. Het lab zoekt naar twee families van antigenen, en de combinatie van die twee geeft je bloedgroep.
De eerste familie is het ABO-systeem. Op je rode bloedcellen kan het A-antigeen zitten, het B-antigeen, allebei of geen van beide. Zo ontstaan vier ABO-bloedgroepen: A, B, AB en O. De tweede familie is het rhesussysteem. Bij een gewone bepaling wordt daarvan maar één antigeen gemeld: rhesus D (RhD). Zit RhD op je cellen, dan ben je rhesuspositief; ontbreekt het, dan ben je rhesusnegatief. Sanquin noemt dit tegenwoordig de rhesus D-bloedgroep (vroeger rhesusfactor). Vier ABO-groepen keer twee rhesusmogelijkheden geeft de acht bekende bloedgroepen: A+, A-, B+, B-, AB+, AB-, O+ en O-.
Het lab kijkt niet alleen naar de antigenen op je cellen. Het onderzoekt ook het vloeibare deel van je bloed op de bijpassende antistoffen. Iemand met bloedgroep A heeft van nature antistoffen tegen B; iemand met bloedgroep B heeft antistoffen tegen A; bloedgroep O heeft ze allebei en bloedgroep AB geen van beide. Door die antistoffen is een verkeerde bloedtransfusie gevaarlijk. Je hebt ze ook als je nooit in contact bent geweest met bloed van iemand anders.
Hoe komt het lab tot je bloedgroep?
Analisten doen twee controles die elkaar moeten bevestigen. Bij de eerste mengen ze je rode bloedcellen met bekende testvloeistoffen tegen A en tegen B en kijken ze of de cellen gaan klonteren. Bij de tweede gebeurt het omgekeerde: ze mengen je plasma met bekende A-cellen en B-cellen en kijken daar of er klontering ontstaat. Wijst de eerste test op bloedgroep A, dan moet de tweede test alleen antistoffen tegen B laten zien. Kloppen de twee niet met elkaar, dan doet het lab extra onderzoek voordat het een uitslag geeft.
Vaak wordt de bloedgroep samen met ander bloedonderzoek aangevraagd, zodat dezelfde buis ook gebruikt wordt voor een volledig bloedbeeld. Wil je meer weten over de cellen die worden getypeerd, lees dan onze uitleg over rode bloedcellen (erytrocyten).
Hoe kan ik weten wat mijn bloedgroep is?
Je weet je bloedgroep zeker als hij in een laboratorium is bepaald. In Nederland gebeurt dat vooral in drie situaties. Bij elke zwangerschap bepaalt het lab tijdens het eerste bloedonderzoek je ABO-bloedgroep, je rhesus D-bloedgroep en je rhesus c-bloedgroep, en zoekt het naar antistoffen tegen bloedgroepen. Dat staat op de site van het programma Prenatale en neonatale screeningen (PNS). Ook als je bloeddonor wordt bij Sanquin, wordt je bloedgroep bepaald. En vóór een operatie waarbij je misschien bloed nodig hebt, doet het ziekenhuis een bloedgroepbepaling en een antistoffenonderzoek.
Staat je bloedgroep al ergens? Kijk dan in je patiëntportaal, in je persoonlijke gezondheidsomgeving (PGO) of in papieren uitslagen van een eerdere zwangerschap of operatie. Je huisarts heeft niet altijd je bloedgroep in je dossier. Een bloedgroeptest die je zelf koopt, werkt met hetzelfde principe van klontering. Maar een ziekenhuis bepaalt je bloedgroep vóór een transfusie altijd opnieuw, wat er ook op een kaartje of in een app staat.
Zo lees je de uitslag van je bloedgroepbepaling
Laboratoria gebruiken niet allemaal dezelfde woorden. Daardoor kan dezelfde uitslag er per lab anders uitzien. De tabel hieronder vertaalt de termen die je het vaakst tegenkomt.
| Wat er op de uitslag staat | Wat het betekent |
|---|---|
| ABO: O — RhD: pos | Je bloedgroep is O-positief, in Nederland de meest voorkomende bloedgroep (38,2 % volgens Sanquin) |
| A neg of A- | Bloedgroep A, het RhD-antigeen ontbreekt |
| RhD zwak positief (weak D) | Er zit minder RhD-antigeen op je cellen; wat dit betekent hangt af van het erfelijke subtype en van een eventuele zwangerschap |
| Rhesus c: negatief | Een tweede rhesuskenmerk ontbreekt; dit wordt in Nederland bij zwangeren standaard bepaald |
| Antistoffenonderzoek (irregulaire antistoffen): negatief | Er zijn geen onverwachte antistoffen tegen rode bloedcellen gevonden; passend donorbloed vinden is dan eenvoudig |
| Antistoffenonderzoek: positief | Er is een antistof gevonden tegen een kenmerk buiten het ABO-systeem; het lab zoekt uit welke en kiest donorbloed zonder dat kenmerk |
Twee dingen verrassen mensen vaak. Ten eerste verloopt je bloedgroep nooit, maar het antistoffenonderzoek wel. Na een zwangerschap of een transfusie kun je namelijk nieuwe antistoffen aanmaken. Ten tweede staan de tientallen andere bloedgroepsystemen op je cellen, zoals Kell, Duffy of Kidd, meestal niet op de uitslag. Die worden pas belangrijk als je een antistof tegen een van die kenmerken blijkt te hebben.
Hoe vaak komt elke bloedgroep voor in Nederland?
Volgens Sanquin zijn de acht bloedgroepen in Nederland als volgt verdeeld:
| Bloedgroep | Deel van de Nederlanders |
|---|---|
| O-positief | 38,2 % |
| A-positief | 36,6 % |
| B-positief | 7,7 % |
| O-negatief | 6,8 % |
| A-negatief | 6,4 % |
| AB-positief | 2,5 % |
| B-negatief | 1,3 % |
| AB-negatief | 0,5 % |
Opgeteld is ongeveer 85 % van de mensen rhesuspositief en 15 % rhesusnegatief, ook volgens Sanquin.
Welke bloedgroepen kunnen bloed doneren aan welke bloedgroepen?
Rode bloedcellen van een donor passen bij jou als ze geen antigeen dragen waartegen jouw plasma antistoffen heeft. Dat is de reden dat bloedgroepbepaling bestaat. De tabel hieronder geeft de gangbare regels voor rode bloedcellen bij een transfusie.
| Jouw bloedgroep | Rode bloedcellen die je kunt krijgen | Aan wie je rode bloedcellen kunt geven |
|---|---|---|
| O-negatief | O- | Alle bloedgroepen (universele donor voor rode bloedcellen) |
| O-positief | O-, O+ | O+, A+, B+, AB+ |
| A-negatief | O-, A- | A-, A+, AB-, AB+ |
| A-positief | O-, O+, A-, A+ | A+, AB+ |
| B-negatief | O-, B- | B-, B+, AB-, AB+ |
| B-positief | O-, O+, B-, B+ | B+, AB+ |
| AB-negatief | O-, A-, B-, AB- | AB-, AB+ |
| AB-positief | Alle bloedgroepen (universele ontvanger van rode bloedcellen) | AB+ |
Bij plasma is het precies andersom
Plasma bevat antistoffen en geen antigenen, dus de logica draait om. Plasma van bloedgroep AB bevat geen antistoffen tegen A of B en kan daardoor naar iedere ontvanger. AB is dus de universele plasmadonor. Plasma van bloedgroep O bevat beide antistoffen en is het minst breed bruikbaar. Daarom kan het Amerikaanse Rode Kruis O-negatief de universele donor voor rode bloedcellen noemen en AB de universele plasmadonor, zonder dat dit elkaar tegenspreekt.
Waarom het lab toch nog een kruisproef doet
Als ABO en rhesus kloppen, is het grootste risico weg, maar niet elk risico. Voor een geplande transfusie doet het lab daarom ook een kruisproef: je plasma wordt getest tegen de zak bloed die voor jou is uitgekozen. Daarnaast zoekt het naar antistoffen tegen minder bekende bloedgroepen, omdat die na een eerdere zwangerschap of transfusie ongemerkt kunnen ontstaan. Dit soort afweerreacties loopt via antistoffen; in onze uitleg over IgG in het bloed en over IgM in het bloed lees je meer over de twee soorten antistoffen die hierbij een rol spelen.
Wat is de relatie tussen bloedgroep en rhesusfactor bij zwangerschap?
Bij zwangerschap draait het vooral om de rhesusfactor: is de moeder rhesus D-negatief en het kind rhesus D-positief, dan kan de moeder antistoffen tegen het bloed van het kind maken. In Nederland krijgt daarom elke zwangere vrouw in het eerste trimester bloedonderzoek naar bloedgroepen en antistoffen. Volgens het PNS is 15 % van alle vrouwen rhesus D-negatief en 18 % rhesus c-negatief; deze twee groepen krijgen extra aandacht.
Tijdens de zwangerschap en vooral bij de bevalling kan wat bloed van het kind in het bloed van de moeder komen. Is het kind rhesuspositief, dan kan het afweersysteem van een rhesusnegatieve moeder anti-D-antistoffen gaan maken. Een eerste zwangerschap merkt daar meestal weinig van. Bij een volgende zwangerschap met weer een rhesuspositief kind kunnen die antistoffen via de navelstreng naar het kind gaan en zijn rode bloedcellen afbreken. Het kind krijgt dan bloedarmoede, soms al voor de geboorte.
Ben je rhesus D-negatief, dan krijg je volgens het PNS in week 27 een extra bloedonderzoek. Het lab kijkt dan opnieuw of je antistoffen hebt gemaakt, en het bepaalt de rhesus D-bloedgroep van je kind uit kleine stukjes DNA van het kind die in jouw bloed zitten. Is je kind rhesus D-positief, dan krijg je in week 30 een injectie met anti-D-antistoffen en na de bevalling nog een keer. Die injectie maakt de kans heel klein dat je zelf antistoffen gaat vormen.
Wordt een pasgeborene toch getroffen, dan volgen bekende bloedtesten. Bij afbraak van rode bloedcellen stijgt het bilirubine; onze uitleg over bilirubine laat zien wat die waarde betekent. Het beenmerg reageert door jonge rode bloedcellen af te geven, en daarom kijken artsen naar de waarde uit onze uitleg over reticulocyten. Een dalend zuurstoftransport zie je terug in de waarden uit onze uitleg over hemoglobine (Hb).
Ook een verschil in ABO-bloedgroep tussen een moeder met bloedgroep O en een baby met bloedgroep A of B kan geelzucht geven. Dat verloopt meestal milder en wordt, anders dan bij rhesus, niet erger bij elke volgende zwangerschap.
Hebben broers en zussen dezelfde bloedgroep?
Niet altijd: broers en zussen kunnen verschillende bloedgroepen hebben, omdat elk kind andere kopieën van de bloedgroepgenen van zijn ouders kan erven. Elke ouder geeft één kopie van het ABO-gen door. Volgens Erfelijkheid.nl bepaalt die combinatie je bloedgroep. Twee ouders met bloedgroep A kunnen dus een kind met bloedgroep O krijgen als ze allebei een ‘verborgen’ O-kopie hebben.
Voor rhesus geldt iets vergelijkbaars. In je DNA zit één kopie van de rhesusgenen van je moeder en één van je vader, schrijft Sanquin. Een rhesusnegatief kind heeft van beide ouders een rhesusnegatieve kopie gekregen. Omdat er zoveel combinaties mogelijk zijn, is de bloedgroep geen betrouwbaar bewijs van ouderschap. Daarvoor is DNA-onderzoek nodig.
Bloedgroep en gezondheid: wat zegt het onderzoek echt?
De bloedgroep duikt regelmatig op in berichten over ziekterisico, bijvoorbeeld bij de vraag ‘welke bloedgroep heeft de meeste kans op kanker?’. Zulke claims verdienen voorzichtigheid. Grote bevolkingsstudies vinden kleine statistische verbanden tussen de ABO-bloedgroep en bijvoorbeeld trombose, sommige soorten kanker en sommige infecties. Mensen met bloedgroep O hebben iets lagere waarden van twee stollingseiwitten; dat is biologisch het best verklaarbare verband.
Drie kanttekeningen zijn belangrijk. Een verband is nog geen oorzaak. De gevonden verschillen zijn klein vergeleken met bekende risicofactoren zoals roken, weinig bewegen, overgewicht en ziekte in de familie. En je bloedgroep ligt vast, dus je kunt er niets aan veranderen zoals bij bloeddruk of cholesterol. Er is geen richtlijn die adviseert om op basis van alleen je ABO-bloedgroep anders te screenen, te eten of te behandelen.
Het bekende bloedgroepdieet, dat elke bloedgroep een eigen eetpatroon geeft, wordt niet ondersteund door gecontroleerd onderzoek. Mensen die zo’n dieet volgen, voelen zich soms beter. Maar die verbetering hangt samen met gezonder eten in het algemeen, niet met de match met hun bloedgroep.
Maak je je zorgen over een bepaald risico, dan zeggen andere bloedwaarden veel meer dan de letter van je bloedgroep. Ontsteking wordt beter beoordeeld met de waarde uit onze uitleg over BSE (bezinking), en het stollingsvermogen hangt sterk af van de waarde uit onze uitleg over bloedplaatjes (trombocyten).
Wanneer bespreek je je bloedgroep met een arts?
Een bloedgroep op zich vraagt bijna nooit om actie. In de volgende situaties is het wel goed om het te bespreken met je huisarts, verloskundige of specialist.
- Je bent zwanger of wilt zwanger worden en je bent rhesus D-negatief of rhesus c-negatief. Vraag je verloskundige of gynaecoloog welke extra controles en injecties voor jou gelden.
- Je antistoffenonderzoek is positief. Vraag welke antistof is gevonden, of die gevolgen heeft voor een zwangerschap en of je een bloedgroepkaart of -pas moet meenemen.
- Op je uitslag staat ‘zwak D’, ‘partieel D’ of een afwijking tussen twee testen. Soms is erfelijkheidsonderzoek nodig om te bepalen of je als rhesuspositief of rhesusnegatief behandeld moet worden.
- Twee bloedgroepbepalingen van verschillende labs komen niet overeen. Dat moet worden uitgezocht, zeker vóór een operatie.
- Je hebt een beenmerg- of stamceltransplantatie gehad. Je bloedgroep in het bloed kan dan veranderen naar die van de donor.
- Je voelt je na een transfusie of zwangerschap steeds moe, kortademig of bleek. Die klachten passen bij bloedarmoede, en het aandeel rode bloedcellen in je bloed zie je in onze uitleg over hematocriet (Ht).
Krijg je tijdens of kort na een transfusie koorts, koude rillingen, rugpijn, donkere urine of moeite met ademen? Meld het meteen aan de verpleegkundige of arts. Dit kan een transfusiereactie zijn. Bij levensgevaar bel je 112; geen levensgevaar maar wel snel een arts nodig, bel dan je huisarts of ’s avonds en in het weekend de huisartsenpost (Thuisarts).
Nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen
De transfusiegeneeskunde is de afgelopen drie jaar snel veranderd. Hieronder lees je in gewone taal wat onderzoekers hebben gevonden en wat het voor jou betekent.
Bloedgroepbepaling verschuift van serum naar DNA
Een overzichtsartikel uit 2024 in de British Journal of Haematology beschrijft dat labs de bloedgroep steeds vaker bepalen door de genen te lezen die de kenmerken op rode bloedcellen maken, en niet alleen door cellen met testvloeistoffen te mengen. Zo’n DNA-test geeft uitsluitsel in situaties waarin de klassieke methode twijfel laat, zoals een onduidelijke rhesusbloedgroep of iemand bij wie na een recente transfusie donorcellen in het bloedmonster zitten. Wat dit voor jou betekent: kwam je uitslag ooit terug met een afwijking of met ‘zwak D’, dan kan een DNA-test die vraag vaak definitief beantwoorden.
Rhesus D-varianten worden ingedeeld naar erfelijk subtype
Een update uit 2025 over het rhesussysteem in het tijdschrift Immunohematology laat zien hoe zwakke en partiële vormen van het D-antigeen nu worden ingedeeld op basis van de onderliggende genetische variant. Sommige mensen met ‘zwak D’ kunnen veilig rhesuspositief bloed krijgen en hebben tijdens een zwangerschap geen anti-D nodig; anderen moeten echt als rhesusnegatief worden behandeld. Wat dit voor jou betekent: ‘zwak D’ hoeft geen grijs gebied meer te zijn. Vraag of er RHD-genotypering is gedaan; dat kan onnodige behandeling voorkomen of juist een echt risico opsporen.
De rhesusbloedgroep van het kind is af te lezen uit het bloed van de moeder
Een studie uit 2025 in Vox Sanguinis onderzocht een test die stukjes DNA van het ongeboren kind in het bloed van de zwangere opspoort om te bepalen of het kind rhesuspositief is, met een gewone bloedafname en zonder ingreep in de baarmoeder. Ongeveer een derde van de rhesusnegatieve zwangeren draagt een rhesusnegatief kind; bij hen heeft een anti-D-injectie geen nut. Wat dit voor jou betekent: in Nederland is deze test al standaard. Rhesus D-negatieve zwangeren krijgen hem in week 27, en alleen bij een rhesus D-positief kind volgt in week 30 de anti-D-injectie (PNS).
Enzymen kunnen bloedgroepkenmerken van donororganen verwijderen
Twee studies in Nature Communications, uit 2024 en 2025, lieten zien dat enzymen van bacteriën de A- en B-antigenen kunnen verwijderen van de bloedvaten van gedoneerde nieren, terwijl die nieren vóór de transplantatie met een machine worden doorgespoeld. In labsimulaties trokken de behandelde nieren de antistoffen van de ontvanger niet meer aan. Dit is vroeg onderzoek dat nog niet bij mensen is getest, maar het wijst op een toekomst waarin een ABO-verschil minder vaak een obstakel is. Wat dit voor jou betekent: aan je eigen bloedgroep verandert vandaag niets. Mensen die op een nier wachten, kunnen later wel minder vaak een donor mislopen door een verkeerde bloedgroep. Dezelfde aanpak wordt onderzocht om donorbloed om te zetten richting bloedgroep O, wat het tekort aan O-negatief bloed zou kunnen verkleinen.
Hoe weeg je deze ontdekkingen?
DNA-bepaling van de bloedgroep en het bepalen van de rhesusbloedgroep van het kind zijn bewezen technieken die steeds breder worden gebruikt. Het enzymatisch omzetten van organen en rode bloedcellen is vroeg onderzoek: veelbelovend, maar bij mensen nog niet bewezen. Geen van deze ontwikkelingen verandert de bloedgroep waarmee je bent geboren, en geen ervan vervangt de gewone bloedgroepbepaling en kruisproef van het ziekenhuis vóór een transfusie.
Woordenlijst
| Term | Betekenis |
|---|---|
| Antigeen | Een erfelijk kenmerk op de buitenkant van een rode bloedcel. Het patroon van je antigenen bepaalt je bloedgroep. |
| Antistof | Een eiwit van het afweersysteem dat zich aan een bepaald antigeen bindt. Antistoffen tegen A en B heb je van nature, zonder eerder contact met ander bloed. |
| ABO-systeem | De indeling van bloed in de groepen A, B, AB en O, op basis van welke A- en B-antigenen op de rode bloedcellen zitten. |
| Rhesus D (RhD) | Het rhesuskenmerk dat bij een gewone bepaling wordt gemeld. Aanwezig betekent rhesuspositief, afwezig betekent rhesusnegatief. |
| Rhesus c | Een tweede rhesuskenmerk dat in Nederland bij zwangeren wordt bepaald, omdat rhesus c-negatieve vrouwen antistoffen kunnen maken. |
| Zwak D (weak D) | Minder RhD-antigeen op de rode bloedcellen. Bij sommige erfelijke subtypes word je als rhesuspositief behandeld, bij andere niet. |
| Kruisproef | Een laatste controle waarbij je plasma wordt gemengd met de zak donorbloed die voor jou is gekozen. |
| Antistoffenonderzoek | Een test die zoekt naar onverwachte antistoffen tegen kenmerken buiten het ABO-systeem, zoals Kell of Duffy. |
| Hemolytische ziekte van de foetus en pasgeborene | Afbraak van rode bloedcellen van het ongeboren of pasgeboren kind door antistoffen van de moeder, meestal door een verschil in rhesusbloedgroep. |
| Genotypering | De bloedgroep bepalen door de genen te lezen in plaats van de cellen direct te testen. |
Veelgestelde vragen
Kan mijn bloedgroep in de loop van mijn leven veranderen?
In de praktijk niet. De genen die je ABO-bloedgroep en rhesusbloedgroep bepalen, liggen vast vanaf de bevruchting en veranderen niet door voeding, leeftijd, ziekte of zwangerschap. Er zijn zeldzame uitzonderingen. Na een beenmerg- of stamceltransplantatie maakt het nieuwe beenmerg rode bloedcellen met de bloedgroep van de donor, waardoor je bloedgroep in het bloed langzaam verandert. Sommige vormen van bloedkanker en bepaalde infecties kunnen een antigeen tijdelijk zo verzwakken dat een test in de war raakt. Verder houd je de bloedgroep die op je eerste uitslag staat.
Is O-negatief zeldzaam?
O-negatief is niet de zeldzaamste bloedgroep, maar wel een minderheid: volgens Sanquin heeft 6,8 % van de Nederlanders bloedgroep O-negatief. Het is wel een gewilde bloedgroep, omdat rode bloedcellen van O-negatief in een noodsituatie aan iedereen gegeven kunnen worden, ook als de bloedgroep van de patiënt nog niet bekend is.
Welke bloedgroep is het zeldzaamst?
Van de acht gewone bloedgroepen komt AB-negatief in Nederland het minst voor: 0,5 % van de Nederlanders, gevolgd door B-negatief met 1,3 % (Sanquin). Hoe zeldzaam een bloedgroep is, hangt af van afkomst, dus de volgorde verschilt per land. Nog veel zeldzamer zijn zogenaamde ‘nul’-bloedgroepen, waarbij een heel bloedgroepsysteem ontbreekt. Mensen met zo’n bloedgroep kunnen vaak maar van een handvol passende donors wereldwijd bloed krijgen; daarvoor bestaan registers van zeldzame donors.
Bepaalt mijn bloedgroep hoeveel bloed ik mag doneren?
Nee. Hoeveel je mag geven, hangt af van vaste grenzen voor gewicht en gezondheid, niet van je bloedgroep. Je bloedgroep bepaalt wel hoe groot de vraag is. O-negatief bloed wordt bij spoedgevallen gebruikt voordat de bloedgroep van de patiënt bekend is; die donors worden dus vaak gevraagd. Donors met AB worden vaak gevraagd om plasma te geven, omdat AB-plasma bij iedere ontvanger past.
Kun je aan de bloedgroepen van je ouders zien welke bloedgroep je hebt?
Ze beperken de mogelijkheden, maar bepalen de uitkomst niet. Elke ouder geeft één ABO-genkopie door, dus twee ouders met bloedgroep A kunnen een kind met O krijgen als ze allebei een O-kopie hebben. Rhesusnegatief is recessief: een rhesusnegatief kind heeft van beide ouders een rhesusnegatieve kopie gekregen. Omdat er meerdere combinaties mogelijk zijn, is de bloedgroep geen bewijs van ouderschap; daarvoor is DNA-onderzoek de juiste test.
Waarom bepaalde het ziekenhuis mijn bloedgroep opnieuw, terwijl ik hem al wist?
Veiligheidsregels voor transfusies vragen om een actuele uitslag die het ziekenhuis zelf heeft gecontroleerd. Ernstige transfusiereacties ontstaan vaker door een administratieve verwisseling dan door een fout in het lab. Daarom bevestigen ziekenhuizen de ABO-bloedgroep op een vers afgenomen monster, soms zelfs op een tweede buis, voordat ze rode bloedcellen geven. Ook het antistoffenonderzoek is maar kort geldig, omdat er na een zwangerschap of transfusie nieuwe antistoffen kunnen ontstaan.
Bronnen
- Sanquin — Bloedgroepen: welke bloedgroep heb ik? — Sanquin, geraadpleegd 2026 — sanquin.nl
- Sanquin — Rhesus D-bloedgroep — Sanquin, geraadpleegd 2026 — sanquin.nl
- RIVM, Pre- en neonatale screeningen — Onderzoek naar bloedgroepen en bloedgroepantistoffen — pns.nl, geraadpleegd 2026 — pns.nl
- RIVM, Pre- en neonatale screeningen — Rhesus D-negatief — pns.nl, geraadpleegd 2026 — pns.nl
- Erfelijkheid.nl — Erfelijkheid van bloedgroepen — Erfelijkheid.nl, geraadpleegd 2026 — erfelijkheid.nl
- American Red Cross — Blood Types — American Red Cross Blood Services, herzien 2025 — redcrossblood.org
- Cleveland Clinic — Blood Types — Cleveland Clinic Health Library, herzien 2025 — my.clevelandclinic.org
- MedlinePlus, National Library of Medicine — Red Blood Cell Antibody Screen — MedlinePlus Medical Test, herzien 2025 — medlineplus.gov
- MedlinePlus, National Library of Medicine — Rh Incompatibility — MedlinePlus Health Topic, herzien 2025 — medlineplus.gov
- Westhoff CM, Floch A — Blood group genotype matching for transfusion — British Journal of Haematology, 2024 — DOI 10.1111/bjh.19664
- Ramsey G — The Rh blood group system: RHD update — Immunohematology, 2025 — DOI 10.2478/immunohematology-2025-007
- Santoro DM, Gonzalez Hermida P, Gamboa CV, et al. — Non-invasive foetal RhD genotyping: a strategy for rationalizing anti-D immunoglobulin prophylaxis in RhD-negative pregnant women — Vox Sanguinis, 2025 — DOI 10.1111/vox.70158
- MacMillan S, Hosgood SA, Walker-Panse L, et al. — Enzymatic conversion of human blood group A kidneys to universal blood group O — Nature Communications, 2024 — DOI 10.1038/s41467-024-47131-9
- Zeng J, Ma M, Jiang X, et al. — Enzymatic conversion of blood group B kidney prevents hyperacute antibody-mediated injuries in ABO-incompatible transplantation — Nature Communications, 2025 — DOI 10.1038/s41467-025-56563-w
Verder lezen
- Bekijk de waarde die een lege ijzervoorraad laat zien in onze uitleg over ferritine in het bloed.
- Lees hoeveel ijzer er echt door je bloed stroomt in onze uitleg over ijzer in het bloed.
- Zie hoe je afweer werkt in onze uitleg over witte bloedcellen (leukocyten).
- Ontdek hoeveel hemoglobine gemiddeld in elke rode bloedcel zit in onze uitleg over MCH (gemiddelde hemoglobine per cel).
- Lees meer over de natuurlijke antistollingsstof die de stolling in balans houdt in onze uitleg over proteïne C in het bloed.
Begrijp je labuitslag met BloodSense
Je bloedgroep is één regel op een labuitslag die meestal nog tientallen andere waarden bevat, en juist in die andere regels zit de meeste bruikbare informatie. BloodSense leest je labuitslag en legt elke waarde uit in gewone taal, ook de rode bloedcellen, het Hb, de hematocriet en het bilirubine die vaak samen met een bloedgroepbepaling worden gemeten. Het helpt je begrijpen wat je ziet en betere vragen voor te bereiden voor je huisarts of verloskundige. Het BloodSense-rapport stelt geen diagnose en vervangt het oordeel van je huisarts niet.



