Proteïne S: normaalwaarde, te laag en wat een proteïne S-deficiëntie betekent

Een proteïne S-test meet hoeveel werkend proteïne S er in je plasma rondgaat. Proteïne S is een van de natuurlijke remmen die je lichaam gebruikt om te voorkomen dat een stolsel groter wordt dan de verwonding die het veroorzaakte. Omdat die rem indirect wordt gemeten, kan één getal op een labuitslag misleiden: zwangerschap, een recente trombose, de pil en zelfs de manier waarop het monster is ingevroren kunnen de uitslag verlagen bij iemand met volkomen normale genen. In dit artikel lees je wat de drie verschillende proteïne S-bepalingen meten, hoe je de waarde op je uitslag leest, welke gewone situaties een vals lage uitslag geven, wanneer deze test echt iets aan je zorg verandert en wat recent onderzoek zegt over het betrouwbaar vaststellen van een proteïne S-deficiëntie.
Wat meet de proteïne S-test?
Bloedstolling is gecontroleerd sloopwerk. Raakt een bloedvat beschadigd, dan bouwt een cascade van stollingsfactoren binnen seconden een fibrineprop. Zou niets die cascade stoppen, dan bleef de prop groeien tot het bloedvat helemaal dicht zat. Proteïne S hoort bij het uitschakelsysteem.
Proteïne S wordt gemaakt in de lever en in de cellen die je bloedvaten bekleden, en het heeft vitamine K nodig om goed te worden opgebouwd. De belangrijkste taak is die van hulpstof: proteïne S schakelt de stolling niet zelf uit, maar maakt geactiveerd proteïne C veel efficiënter in het afbreken van twee van de krachtigste stollingsfactoren, factor Va en factor VIIIa. Zie geactiveerd proteïne C als de monteur en proteïne S als het gereedschap waarmee de monteur snel kan werken. Wil je de andere kant van die samenwerking zien, lees dan onze uitleg over de proteïne C bloedtest.
Eén complicatie verklaart het grootste deel van de verwarring rond deze test. Maar ongeveer 40 procent van het proteïne S in je bloed zweeft vrij rond en kan dit werk doen. De rest zit vast aan een drager, het C4b-bindend eiwit, dat bij het complementsysteem van de afweer hoort. Gebonden proteïne S is aanwezig maar niet beschikbaar. Alles wat het C4b-bindend eiwit verhoogt, zoals ontsteking, infectie of zwangerschap, vangt vrij proteïne S weg en verlaagt het bruikbare deel zonder dat er een erfelijk defect is.
Proteïne S staat naast de andere natuurlijke antistollingseiwitten die je arts tegelijk kan laten bepalen, vooral antitrombine. Onze uitleg over antitrombine III behandelt die partner, en het bredere beeld van hoe deze uitslagen samenhangen staat in onze uitleg over stollingsonderzoek.
De drie proteïne S-tests, en waarom je lab er een koos
Staat er ‘proteïne S’ op een uitslag, dan kan dat een van drie echt verschillende metingen zijn. De NVKC noemt de test daarom ook proteïne S activiteit of proteïne S antigeen. De metingen beantwoorden verschillende vragen en gaan op verschillende manieren mis, en daarom doen laboratoria er vaak meer dan één voordat ze een diagnose stellen.
| Bepaling op je uitslag | Wat ze meet | Waar ze goed voor is | Belangrijkste beperking |
|---|---|---|---|
| Proteïne S activiteit (functioneel) | Hoe goed proteïne S geactiveerd proteïne C versnelt in een stollingsreactie | Elk type deficiëntie opsporen, ook eiwit dat er is maar niet goed werkt | Makkelijk verstoord door factor V Leiden, lupus anticoagulans, bloedverdunners en de behandeling van het monster |
| Vrij proteïne S antigeen | De hoeveelheid ongebonden proteïne S die kan werken | De betrouwbaarste gewone screening; veel minder gevoelig voor storing | Normaal als het eiwit in de juiste hoeveelheid aanwezig is maar slecht werkt |
| Totaal proteïne S antigeen | Vrij en gebonden proteïne S bij elkaar opgeteld | Een bevestigde deficiëntie in een subtype indelen | Kan helemaal normaal lijken terwijl het bruikbare vrije deel laag is |
Waarom het subtype telt
Hematologen delen een erfelijke proteïne S-deficiëntie in drie typen in. Type I betekent een laag totaal en een laag vrij proteïne S: het lichaam maakt er gewoon te weinig van. Type III betekent een normaal totaal maar een laag vrij proteïne S: er wordt genoeg gemaakt, maar te veel zit vast aan de drager. Type II, het zeldzaamst, betekent een normale hoeveelheid eiwit dat niet goed werkt, dus alleen de activiteitsbepaling vindt het. Type I en type III worden in veel families nu gezien als verschillende uitingen van hetzelfde onderliggende erfelijke beeld. Daarom kan een specialist het onderzoek bij familieleden herhalen in plaats van op de getallen van één persoon te vertrouwen.
Wat is de normaalwaarde van proteïne S?
Proteïne S wordt weergegeven als percentage van de activiteit van gemengd normaal plasma, niet in milligram. Een waarde van 100 procent betekent geen perfecte gezondheid, maar dat je op het gemiddelde van de referentiegroep zit. Volgens de NVKC wordt als normaalwaarde voor de activiteit vaak 70 tot 130 procent aangehouden. Het UMC Utrecht hanteert voor volwassen mannen 75 tot 130 procent en voor volwassen vrouwen 59 tot 130 procent: gezonde vrouwen zitten over de hele band lager dan gezonde mannen. Bij vrouwen die de pil gebruiken, noemt het UMC Utrecht 52 tot 118 procent. Vergelijk je getal altijd met de referentiewaarden op je eigen uitslag, want de verschillen tussen apparaten zijn zo groot dat een band van een ander laboratorium lenen echt onveilig is.
| Waar je uitslag valt | Wat het meestal betekent | Gebruikelijke volgende stap |
|---|---|---|
| Binnen de referentiewaarden van het lab | Geen aanwijzing voor een proteïne S-deficiëntie op het moment van de afname | Geen herhaling nodig, tenzij de klinische verdenking hoog is |
| Iets onder de band | Meestal een tijdelijke of door medicijnen veroorzaakte daling en geen erfelijk defect | Herhalen in een stabiele toestand zonder storende medicijnen, meestal weken tot maanden later |
| Duidelijk laag bij activiteit maar normaal bij vrij antigeen | Vaak storing van de bepaling en geen echte deficiëntie | Medicijnen nakijken en testen op factor V Leiden of lupus anticoagulans |
| Bij twee aparte metingen blijvend laag | Mogelijk een erfelijke deficiëntie, zeker bij trombose in de familie | Verwijzing naar een hematoloog, onderzoek naar het subtype en gesprek over de familie |
| Boven de band | Geen bekende ziekte; hoog proteïne S wordt niet behandeld | Geen actie nodig |
Eén praktisch punt verrast veel mensen. Is je stollingsonderzoek tegelijk aangevraagd, dan kan een verlengde protrombinetijd wijzen op dezelfde vitamine K-route waar proteïne S van afhangt. Onze uitleg over de protrombinetijd en onze uitleg over de INR-waarde ontrafelen die twee getallen, en een verwante waarde staat in onze uitleg over de aPTT-waarde.
Proteïne S te laag: waarom één lage uitslag zelden een diagnose is
Dit is het nuttigste om over de test te begrijpen, en de reden dat hematologen zo vaak om een nieuw monster vragen. Bij proteïne S overlappen gezonde mensen en mensen met een echte deficiëntie meer dan bij elk ander natuurlijk antistollingseiwit, en de waarde beweegt meer met de omstandigheden dan proteïne C of antitrombine.
Loop deze lijst door voordat je een laag getal als oordeel ziet. Elk punt kan proteïne S verlagen bij iemand zonder erfelijk probleem. De NVKC noemt onder meer leverziekte, vitamine K-tekort, antistollingsmiddelen, diffuse intravasale stolling (DIS), ernstige infecties, nierziekte, tumoren, hiv, pilgebruik, zwangerschap en de periode direct na een trombose of longembolie.
- Zwangerschap en de weken na de bevalling, als vrij proteïne S als normale aanpassing flink daalt
- De anticonceptiepil (combinatiepil) en hormoontherapie in de overgang; het UMC Utrecht noemt ook de hormoonspiraal, een implantaat of de prikpil als mogelijke oorzaken van een verlaagde activiteit
- Vitamine K-remmers zoals acenocoumarol en fenprocoumon, die proteïne S direct verlagen omdat vitamine K nodig is om het te maken
- DOAC’s, de directe orale antistollingsmiddelen, die de stollingsbepaling van de activiteit verstoren en een vals lage of vals hoge waarde kunnen geven
- Een acute trombose, een operatie, letsel of een ernstige infectie in de weken ervoor
- Leverziekte, die de aanmaak vermindert, en het nefrotisch syndroom, waarbij eiwit met de urine verloren gaat
- Ontsteking door welke oorzaak ook, die het dragereiwit verhoogt en het vrije deel verlaagt
- Een vitamine K-tekort, beschreven in onze uitleg over vitamine K in je bloed
- De behandeling van het monster, zoals plasma dat is ingevroren en ontdooid voordat de activiteit werd gemeten
Daarom volgen de meeste specialisten een eenvoudige regel: niet testen tijdens een zwangerschap, tijdens een acute trombose of tijdens het gebruik van een bloedverdunner, en nooit een erfelijke deficiëntie vaststellen op basis van één afwijkend monster. Het UMC Utrecht adviseert de bepaling bij voorkeur minimaal 4 tot 6 weken na het stoppen van hormonale middelen te doen, omdat die een fout-positieve verdenking op proteïne S-deficiëntie kunnen geven. Twee duidelijk lage uitslagen, op verschillende momenten in een stabiele toestand, plus een passende familiegeschiedenis: dat is de realistische drempel.
Als testen tijdens een trombose niet te vermijden is
Soms vraagt een arts het hele trombofiliepakket aan tijdens het onderzoek naar een acute gebeurtenis, omdat de patiënt op dat moment voor hem zit. De uitslagen hebben dan waarde als vertrekpunt, maar kunnen geen erfelijke aandoening bevestigen. Andere waarden zijn in die acute periode nuttiger, vooral het afbraakproduct van fibrine uit onze uitleg over de D-dimeer test en de stollingsgrondstof uit onze uitleg over fibrinogeen in je bloed.
Wat is proteïne S-deficiëntie, en wat betekent ze voor je risico op trombose?
Proteïne S-deficiëntie is volgens de Cyberpoli een zeldzame erfelijke stollingsafwijking: je maakt 30 tot 60 procent van de normale hoeveelheid proteïne S aan, waardoor de bloedstolling minder goed wordt geremd. Ze verhoogt het levenslange risico op een trombosebeen en een longembolie, en ze gaat samen met stolsels op ongewone plekken, zoals in de aders van de hersenen of de buik. De Cyberpoli schrijft dat ongeveer een op de twee mensen met proteïne S-deficiëntie voor het vijfendertigste jaar een trombose heeft gehad, en dat de kans op trombose meestal pas na het twintigste jaar ontstaat.
De belangrijke nuance is dat een hoger risico geen zekerheid is. De meeste dragers krijgen nooit een trombose. Het risico wordt echt als de erfelijke aanleg een aanleiding tegenkomt: een grote operatie, lang stilliggen, kanker, de pil met oestrogeen, een zwangerschap of een lange vliegreis na een van deze. De Amerikaanse Centers for Disease Control and Prevention noemt veneuze trombo-embolie daarom grotendeels te voorkomen, omdat je de meeste aanleidingen kunt zien aankomen en kunt aanpakken. Wil je het klinische beeld van de meest voorkomende gebeurtenis zien, lees dan ons overzicht over een trombosebeen.
Een zeldzame maar belangrijke situatie betreft pasgeborenen die een ernstige deficiëntie van beide ouders erven. Zij kunnen binnen enkele uren na de geboorte wijdverspreide stolsels in de huid krijgen, een spoedgeval dat purpura fulminans heet. Dat is uitzonderlijk, en het is niet wat een licht verlaagde uitslag bij een volwassene betekent.
Wanneer verandert de proteïne S-test echt iets aan je zorg?
Testen is zinvol als het antwoord een beslissing verandert. Dat is een hogere lat dan nieuwsgierigheid, en het advies van beroepsgroepen is de afgelopen jaren duidelijk die kant op gegaan.
Situaties waarin de uitslag echt telt, zijn onder meer de vraag of familieleden van een bekende drager de pil met oestrogeen beter kunnen vermijden, beslissingen over preventieve behandeling rond een zwangerschap of grote operatie in een familie met een vastgestelde deficiëntie, en duidelijkheid over het doorgaan met antistolling bij iemand met een stolsel op een ongewone plek. De Cyberpoli schrijft dat meisjes met een proteïne S-deficiëntie de combinatiepil wordt afgeraden, ook als de deficiëntie alleen bij een ouder, broer of zus is vastgesteld, omdat hun kans op trombose daarmee veel groter wordt. Buiten zulke situaties verandert een positieve uitslag vaak niets aan de behandeling die al wordt gegeven.
Ongericht testen heeft echte nadelen: zorgen over een etiket dat misschien nooit klachten geeft, en het risico op een verkeerde diagnose door een vals lage meting die nooit wordt herhaald. Daarom wordt het testen van de algemene bevolking voordat iemand met de pil begint uitdrukkelijk afgeraden.
Wanneer naar de huisarts?
Los van elke laboratoriumwaarde: bel direct je huisarts of de huisartsenpost bij zwelling, warmte, roodheid of aanhoudende pijn in één kuit of bovenbeen. Thuisarts noemt een dik, warm, pijnlijk en roder of donkerder onderbeen als mogelijk teken van een trombosebeen. Bel 112 bij plotselinge benauwdheid, pijn op de borst die erger wordt bij inademen, of bloed ophoesten. Maak een gewone afspraak als je voor je vijftigste een onverklaarde trombose hebt gehad, vaker trombose hebt gehad, een eerstegraads familielid met een bekende stollingsstoornis hebt, of herhaalde miskramen in het tweede trimester. Neem je volledige uitslag mee, inclusief de bloedplaatjes- en stollingswaarden uit onze uitleg over trombocyten.
Nieuwste wetenschappelijke inzichten
Onderzoek uit de laatste drie jaar is opvallend eensgezind over één punt: het moeilijke is niet het meten van proteïne S, maar het lezen van de meting. Dit is wat het onderzoek in PubMed laat zien, en wat het voor jou betekent.
Richtlijnen beperkten wie überhaupt getest moet worden
Een internationaal expertpanel van de American Society of Hematology bekeek het bewijs over trombofilie-onderzoek en gaf aanbevelingen rond één principe: test alleen als de uitslag een beslissing zou veranderen. Het panel raadde sterk af de algemene bevolking te screenen voordat iemand met de combinatiepil begint, en steunde gericht testen in specifieke situaties, zoals bij familieleden van iemand met een bekende proteïne S-, proteïne C- of antitrombinedeficiëntie die preventieve behandeling of hormoongebruik overwegen. Wat betekent dit voor jou? Ziet je arts af van een breed stollingspakket, dan volgt die terughoudendheid het huidige advies van experts en is het geen kortere weg. Wordt testen aangeboden, dan is het redelijk te vragen welke beslissing het antwoord zal sturen.
Laboratoriumoverzichten bevestigen dat proteïne S het moeilijkst te vangen is
Een uitgebreid overzicht van laboratoriummethoden voor trombofilie concludeerde dat geen enkele bepaling elke vorm van deficiëntie betrouwbaar opspoort, en noemde proteïne S het lastigste van de natuurlijke antistollingseiwitten. Activiteitsbepalingen voor proteïne S worden breed gezien als weinig specifiek, en daarom beginnen veel laboratoria nu met de bepaling van vrij antigeen. Een commentaar van experts uit 2025 kwam tot dezelfde conclusie en zag functioneel en genetisch onderzoek als aanvullend en niet als concurrenten. Het UMC Utrecht noemt ook genetisch onderzoek naar het PROS1-gen als mogelijkheid als stoppen met hormonen niet kan. Wat betekent dit voor jou? Meldt je laboratorium vrij proteïne S in plaats van activiteit, dan is dat een bewuste kwaliteitskeuze, en een verschil tussen de twee getallen is een bekend patroon en geen laboratoriumfout.
Hoe het monster is bewaard, kan het antwoord veranderen
Een laboratoriumstudie vergeleek de activiteit van antitrombine, proteïne C en proteïne S in vers plasma met dezelfde monsters na invriezen. Antitrombine en proteïne C bleven stabiel. De activiteit van proteïne S daalde duidelijk, en sommige monsters die vers normaal waren, werden na invriezen als afwijkend ingedeeld. De auteurs concludeerden dat ingevroren en ontdooid plasma het risico geeft dat een proteïne S-deficiëntie te vaak wordt vastgesteld. Wat betekent dit voor jou? Werd een laag proteïne S gevonden in een monster dat naar een ver referentielaboratorium is gestuurd, dan is het redelijk te vragen of een vers herhaalmonster mogelijk is.
Een gepubliceerde casus laat zien hoe de stukjes in elkaar passen
Klinisch chemici beschreven een jonge vrouw die werd onderzocht na een ongewone trombose tijdens de zwangerschap. Haar eerste onderzoek wees op een proteïne S-deficiëntie. Ze bleek ook factor V Leiden te hebben, waarvan bekend is dat het de activiteitsmeting van proteïne S verlaagt zonder de antigeenmeting te beïnvloeden. Genetisch onderzoek vond een variant die als onschuldig werd beoordeeld, en een herhaling acht maanden later liet een normaal proteïne C zien en een vrij proteïne S aan de onderkant van normaal. Uiteindelijk voldeed ze helemaal niet aan de criteria voor een deficiëntie. Wat betekent dit voor jou? Dit is precies de volgorde die geduld moet opvangen, en het laat zien waarom één afwijkende uitslag aanleiding is voor een herhaling en niet voor een diagnose. Deze bevindingen zijn voorlopig, omdat ze uit losse casussen en laboratoriumstudies komen, en je bespreekt ze het best met de arts die je test heeft aangevraagd.
Begrippenlijst
| Begrip | Uitleg |
|---|---|
| Proteïne S | Een vitamine K-afhankelijk eiwit uit de lever en de vaatwand dat helpt de stolselvorming uit te schakelen als de bloeding is gestopt. |
| Vrij proteïne S | Het ongebonden deel, ongeveer 40 procent van het totaal, dat echt beschikbaar is om het werk te doen. De meeste laboratoria zien dit als de betrouwbaarste screening. |
| C4b-bindend eiwit | Een dragereiwit van de afweer dat proteïne S bindt en onbeschikbaar maakt. Het stijgt bij ontsteking en zwangerschap. |
| Geactiveerd proteïne C | Het enzym dat proteïne S helpt. Samen schakelen ze de stollingsfactoren Va en VIIIa uit om de groei van een stolsel te beperken. |
| Trombofilie | Een erfelijke of verworven neiging om sneller bloedstolsels te vormen dan gebruikelijk. Proteïne S-deficiëntie is een van de bekende oorzaken. |
| Factor V Leiden | De meest voorkomende erfelijke stollingsvariant. Ze telt hier mee omdat ze een activiteitsmeting van proteïne S kan verlagen zonder echt proteïne S-probleem. |
| Veneuze trombo-embolie | Verzamelnaam voor een trombosebeen in een arm of been en een longembolie in de longen. |
| PROS1 | Het gen met de instructies voor proteïne S. Varianten erin kunnen een erfelijke deficiëntie veroorzaken. |
| Purpura fulminans | Een zeldzaam spoedgeval bij pasgeborenen met wijdverspreide stolsels in de huid, gezien bij een ernstige deficiëntie die van beide ouders is geërfd. |
| Functionele bepaling | Een test die meet hoe goed een eiwit zijn werk doet en niet hoeveel ervan aanwezig is. |
Veelgestelde vragen
Wat is een normale proteïne S-waarde in het bloed?
De meeste laboratoria geven proteïne S weer als percentage van gemengd normaal plasma. De NVKC noemt voor de activiteit vaak 70 tot 130 procent; het UMC Utrecht hanteert voor volwassen vrouwen een ondergrens van 59 procent en voor mannen van 75 procent. De banden verschillen per apparaat en per soort bepaling, en gezonde vrouwen zitten meestal lager dan gezonde mannen. Ook de leeftijd telt, want in de vroege kindertijd zijn de waarden lager. De enige band die voor jou geldt, is de band naast je eigen uitslag.
Kan een proteïne S-deficiëntie weer verdwijnen?
Een erfelijke deficiëntie door een genvariant is levenslang en verdwijnt niet. Een verworven lage waarde vaak wel. Was de oorzaak een zwangerschap, een infectie, een recente trombose, belasting van de lever of een medicijn zoals een vitamine K-remmer of de pil met oestrogeen, dan wordt de waarde vaak weer normaal als die oorzaak voorbij is. Daarom is een herhaling in een stabiele toestand zonder storende medicijnen gebruikelijk voordat iemand het etiket deficiëntie krijgt.
Moet je nuchter zijn of is er een speciaal buisje nodig?
Nuchter zijn is meestal niet nodig. Het bloed gaat in een citraatbuisje met blauwe dop, hetzelfde buisje als voor ander stollingsonderzoek, en het moet tot de streep gevuld zijn, zoals het UMC Utrecht beschrijft, omdat een te weinig gevuld buisje de uitslag vertekent. Het tijdstip telt meer dan je eten: vertel de prikker over bloedverdunners, hormonale anticonceptie of een recente ziekte, en vraag de aanvragende arts of de afname beter kan worden uitgesteld.
Wordt proteïne S tijdens de zwangerschap getest?
Testen tijdens de zwangerschap wordt meestal afgeraden, omdat vrij proteïne S als normaal onderdeel van de zwangerschap daalt en daarna nog weken laag blijft. Een lage uitslag is dan bijna niet te beoordelen. Is trombofilie-onderzoek nodig, dan wordt het meestal gepland voor de zwangerschap of minstens enkele weken na de bevalling en nadat hormoonveranderingen door borstvoeding zijn uitgewerkt. Is er een familiegeschiedenis van een bekende deficiëntie, dan kan preventieve zorg tijdens de zwangerschap ook op basis van die familiegeschiedenis worden gepland.
Hoe vaak komt proteïne S-deficiëntie voor?
Een erfelijke proteïne S-deficiëntie is zeldzaam; schattingen lopen sterk uiteen door de moeilijkheden bij de diagnose die hierboven zijn beschreven. Ze wordt vaker gevonden bij mensen die na een onverklaarde trombose worden onderzocht dan in de algemene bevolking. Ook tussen bevolkingsgroepen verschillen de cijfers, en dat is een reden waarom laboratoria hun referentiewaarden voor de eigen bevolking horen te controleren.
Moet mijn familie worden getest als ik proteïne S-deficiëntie heb?
Dat is een gesprek met een hematoloog of klinisch geneticus en geen automatisch ja. Volgens de Cyberpoli heb je 50 procent kans om de aandoening te erven als een van je ouders haar heeft. Familieleden testen kan zinvol zijn als de uitslag iets concreets verandert, bijvoorbeeld of een zus beter de pil met oestrogeen kan vermijden, of dat preventieve behandeling rond een operatie of zwangerschap wordt gepland. Het is minder nuttig als er geen beslissing van afhangt, omdat een positieve uitslag blijvende zorgen kan geven bij iemand die misschien nooit een trombose krijgt.
Bronnen
- UMC Utrecht, Centraal Diagnostisch Laboratorium — Proteïne S activiteit in bloed: referentiewaarden en interpretatie — Bepalingenwijzer, geraadpleegd 2026 (umcutrecht.nl)
- Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde (NVKC) — Proteïne S — Alles over testen, geraadpleegd 2026 (allesovertesten.nl)
- Cyberpoli — Wat is proteïne S-deficiëntie? — Cyberpoli, Trombose, geraadpleegd 2026 (cyberpoli.nl)
- Thuisarts.nl (NHG) — Ik denk dat ik een trombosebeen heb — Thuisarts, geraadpleegd 2026 (thuisarts.nl)
- MedlinePlus, National Library of Medicine — Protein C and Protein S Tests — MedlinePlus Medical Test, bijgewerkt 2025 (medlineplus.gov)
- MedlinePlus Genetics, National Library of Medicine — PROS1 gene — MedlinePlus Genetics, bijgewerkt 2024 (medlineplus.gov)
- Centers for Disease Control and Prevention — About Venous Thromboembolism (Blood Clots) — CDC, herzien 2025 (cdc.gov)
- Mayo Clinic — Deep Vein Thrombosis (DVT): Symptoms and Causes — Mayo Clinic, 2022 (mayoclinic.org)
- Middeldorp S, Nieuwlaat R, Baumann Kreuziger L, et al. — American Society of Hematology 2023 Guidelines for Management of Venous Thromboembolism: Thrombophilia Testing — Blood Advances, 2023 (doi.org/10.1182/bloodadvances.2023010177)
- Moore GW — Thrombophilia Screening: Not So Straightforward — Seminars in Thrombosis and Hemostasis, 2024 (doi.org/10.1055/s-0044-1786807)
- Feng H, Song D, Xu Q, et al. — Effect of Frozen Storage Conditions on Antithrombin, Protein C and Protein S Activity Assay Stability — Thrombosis Journal, 2024 (doi.org/10.1186/s12959-024-00640-5)
- Hansen RS, Nissen PH, Larsen JB, Bor MV — Diagnosing Protein S Deficiency: Navigating Challenges — Clinical Biochemistry, 2025 (doi.org/10.1016/j.clinbiochem.2025.110950)
- Favaloro EJ, Moore GW, Pasalic L — Diagnosing Thrombophilia: The Case for Genetic or Functional Testing? — Expert Review of Molecular Diagnostics, 2025 (doi.org/10.1080/14737159.2025.2588621)
Verder lezen
- Bekijk het onderzoek dat elk stollingsonderzoek omlijst in onze uitleg over het volledige bloedbeeld.
- Ontdek de andere natuurlijke rem die naast proteïne S wordt gemeten in onze uitleg over de antitrombine-activiteit.
- Lees over een erfelijke hart- en vaatwaarde die vaak bij jongere patiënten wordt bekeken in onze uitleg over lipoproteïne(a) in je bloed.
- Begrijp wat de grootte van je bloedplaatjes zegt in onze uitleg over de MPV-waarde.
- Ontcijfer de spreiding in grootte van bloedplaatjes op dezelfde uitslag in onze uitleg over de PDW-waarde.
Begrijp je labuitslag met BloodSense
Een proteïne S-waarde krijgt pas betekenis naast de rest van je uitslag: het vrije antigeen naast de activiteit, de protrombinetijd, het aantal bloedplaatjes en een eventuele bloedverdunner op de dag van de afname. BloodSense leest die getallen samen en legt in gewone taal uit wat elk ervan bijdraagt en welke vragen je bij je volgende afspraak kunt stellen. Het helpt je je resultaten te begrijpen; het stelt geen diagnose en vervangt je arts niet.
Upload je labuitslag en ontvang je rapport binnen enkele minuten



