Antitrombine is een eiwit in je bloed dat de bloedstolling afremt. De test op antitrombine-activiteit (ook wel AT of AT III genoemd) meet hoe goed dat natuurlijke antistollingseiwit werkt. Zo kunnen artsen begrijpen waarom iemand te makkelijk bloedpropjes (trombose) krijgt, of, minder vaak, waarom een bloedverdunner zoals heparine niet goed lijkt te werken. De test hoort bij de familie van stollingstesten waaronder ook de INR en de aPTT vallen. Maar hij kijkt naar een ander stukje van de stolling: niet het gaspedaal, maar de eigen rem van je lichaam. In dit artikel lees je wat antitrombine doet, waarom je arts de test aanvraagt, hoe je de referentiewaarden leest, wat een te lage of verhoogde uitslag kan betekenen en wanneer klachten van trombose snel een arts nodig hebben.

Wat is antitrombine en wat meet de test?

Antitrombine is een klein eiwit dat vooral door de lever wordt gemaakt en continu in je bloed rondgaat. Het remt verschillende eiwitten die nodig zijn voor bloedstolling, vooral trombine en een stollingsfactor die factor Xa heet. Stolling zelf is een normaal en nodig proces dat een bloeding stopt na een verwonding. Maar het lichaam heeft een tegenwicht nodig, zodat er geen bloedpropjes ontstaan in gezonde bloedvaten. Antitrombine is een deel van dat tegenwicht, samen met proteïne C en proteïne S. Cyberpoli, de informatiesite van Artsen voor Kinderen, legt uit dat antitrombine de stolling onder andere remt door te binden aan trombine en factor Xa.

De test op antitrombine-activiteit controleert of het antitrombine in je bloed goed werkt, en telt niet alleen hoeveel antitrombine er is. Een verwante test, het antitrombine-antigeen, meet de hoeveelheid eiwit zonder te bevestigen dat het goed werkt. Als beide samen worden bepaald, kan de arts onderscheid maken tussen echt te weinig antitrombine en een normale hoeveelheid antitrombine die niet goed werkt.

Hoe gaat de bloedafname voor antitrombine?

Bij de bloedafname wordt bloed uit een ader in je arm afgenomen, in een buisje met natriumcitraat. Die stof zorgt dat het bloed niet stolt voordat het onderzocht wordt. Het laboratorium centrifugeert het buisje om het vloeibare plasma van de bloedcellen te scheiden, omdat de meting in plasma gebeurt en niet in volbloed. De meeste laboratoria gebruiken een chromogene test: daarbij wordt factor Xa en een stof die kleur geeft aan het plasma toegevoegd, en wordt gemeten hoeveel kleur er ontstaat. Omdat antitrombine factor Xa blokkeert, betekent minder kleur meer activiteit, en meer kleur minder activiteit.

Je hoeft meestal niet nuchter te zijn of je op een andere manier voor te bereiden. Volg wel altijd de instructies op je aanvraagformulier of van je arts. Gebruik je heparine, een vitamine K-antagonist (zoals acenocoumarol of fenprocoumon) of een nieuwere bloedverdunner die factor Xa remt, zoals rivaroxaban of apixaban? Vertel dat dan aan je arts en het laboratorium, want deze medicijnen kunnen de uitslag vertekenen. Hoe snel de uitslag er is, verschilt per laboratorium; vaak duurt het een paar dagen. Antitrombine wordt meestal aangevraagd door een specialist, zoals een internist of hematoloog, en de uitslag gaat naar de arts die het onderzoek heeft aangevraagd.

Waarom vraagt een arts een antitrombinetest aan?

Artsen vragen deze test meestal aan als iemand zonder duidelijke reden een bloedprop heeft gehad, vooral een trombosebeen (diep veneuze trombose) of een longembolie, en zeker als dat op jonge leeftijd gebeurde, vaker voorkwam of in de familie zit. De test wordt ook gedaan bij onderzoek naar herhaalde miskramen zonder verklaring, omdat stollingsstoornissen daar soms een rol in spelen. En als iemand die heparine krijgt ongewoon hoge doses nodig heeft om voldoende effect te krijgen, een situatie die artsen heparineresistentie noemen.

In het ziekenhuis kunnen artsen antitrombine meten bij ernstig zieke patiënten met een vermoeden van diffuse intravasale stolling (DIS, in het Engels DIC). Dat is een ernstige aandoening waarbij stolling en bloeding in het hele lichaam tegelijk ontregeld raken. De antitrombinewaarde daalt vaak bij DIS, omdat het eiwit sneller wordt verbruikt dan de lever het kan aanmaken. Volgen van de waarde kan dan nuttige informatie geven naast andere stollingstesten.

Veelvoorkomende redenen voor de test

Artsen vragen de test meestal aan in een paar terugkerende situaties, en niet als routine-onderzoek voor iedereen.

  • Een eerste trombose vóór je 50e zonder duidelijke oorzaak, zoals een recente operatie of lang stilliggen
  • Steeds terugkerende trombose, of trombose die sterk in de familie voorkomt
  • Trombose op ongewone plekken, zoals in de aders van de buik
  • Een vermoeden van heparineresistentie tijdens een ziekenhuisbehandeling
  • Onderzoek naar diffuse intravasale stolling bij ernstig zieke patiënten, vaak samen met een breder pakket dat ook een TIBC-test bij bloedarmoede of eiwitverlies kan bevatten
  • Herhaalde miskramen zonder verklaring, soms samen met andere stollingstesten

Antitrombine normaalwaarde: referentiewaarden lezen

Referentiewaarden verschillen per laboratorium, afhankelijk van de gebruikte test. Het getal en de referentiewaarden op je eigen labuitslag gaan dus altijd voor. Toch liggen bij de meeste laboratoria de referentiewaarden voor antitrombine-activiteit bij volwassenen ongeveer tussen 80 en 130 procent van de activiteit van normaal plasma. Een waarde onder die grenzen wijst op een verminderde werking. Een waarde erboven komt minder vaak voor en betekent op zichzelf meestal weinig.

Pasgeboren baby’s, vooral te vroeg geboren baby’s, hebben van nature een lagere antitrombine-activiteit, die in de eerste maanden stijgt naar het niveau van volwassenen. Voor kinderen gelden daarom andere referentiewaarden. De tabel hieronder vat gangbare waarden voor volwassenen en de algemene betekenis samen. Je eigen arts beoordeelt jouw uitslag altijd samen met je voorgeschiedenis en andere testen.

Antitrombine-activiteitAlgemene betekenisMogelijke context
Boven 130%Hoger dan gebruikelijkMeestal van weinig betekenis; soms gezien bij bepaalde bloedverdunners of ontsteking
80%–130%Gebruikelijke waarden voor volwassenenBij de meeste laboratoria binnen de referentiewaarden
70%–79%Licht verlaagdKan passen bij een kleine erfelijke variatie of een lichte verworven oorzaak; vaak wordt de test herhaald
40%–70%Matig tot duidelijk verlaagdVaak gezien bij een erfelijk antitrombinetekort of een duidelijk verworven tekort (leverziekte, heparine, DIS)
Onder 40%Sterk verlaagdZeldzaam; meestal reden voor snelle beoordeling, vaak bij een ernstige acute ziekte

Antitrombine te laag of verhoogd: wat kan het betekenen?

Een te lage antitrombine-activiteit is de belangrijkste afwijking en kan erfelijk of verworven zijn. Een erfelijk tekort ontstaat door een verandering in het SERPINC1-gen, het gen dat de instructies bevat om antitrombine te maken. Mensen met dit erfelijke tekort hebben vanaf hun geboorte een lagere activiteit en houden hun leven lang een grotere kans op trombose, vooral een trombosebeen en een longembolie, vaak vanaf de tienerjaren of jongvolwassenheid. Hoeveel lager de waarde is, verschilt per bron: Cyberpoli noemt 30 tot 60 procent van de normale hoeveelheid, andere bronnen spreken van ongeveer 40 tot 70 procent.

Een verworven tekort komt veel vaker voor dan de erfelijke vorm en kan verschillende oorzaken hebben. Behandeling met heparine zelf versnelt de afbraak van antitrombine. Bij een leverziekte maakt de lever minder antitrombine aan; artsen kijken dan vaak ook naar leverwaarden zoals ASAT om de oorzaak te zoeken. Ook het nefrotisch syndroom, een nieraandoening waarbij je eiwit verliest via de urine, diffuse intravasale stolling, ernstige infecties en ontstekingen en bepaalde medicijnen tegen kanker kunnen de waarde verlagen. In de meeste verworven gevallen zegt een lage waarde vooral iets over hoe ziek iemand is, en is het niet de enige directe oorzaak van een stollingsrisico, al kan het daar wel aan bijdragen.

Een verhoogde antitrombine komt minder vaak voor en heeft minder duidelijk vastgestelde betekenis. Een verhoogde waarde kan soms ontstaan tijdens behandeling met directe factor Xa-remmers zoals rivaroxaban of apixaban. Die kunnen de chromogene test verstoren en een vals hoge uitslag geven. Een losse hoge uitslag zonder klachten hoeft meestal niet behandeld te worden, al kan je arts de test herhalen of nagaan of een medicijn de meting verstoort.

Antitrombinedeficiëntie: een erfelijk tekort

Antitrombinedeficiëntie is volgens Cyberpoli een zeldzame erfelijke stollingsafwijking die voorkomt bij 0,02 tot 0,05 procent van de mensen. Wie het heeft, maakt minder antitrombine aan, waardoor de bloedstolling minder goed wordt geremd. De kans op trombose is dan acht tot tien keer groter. Eén op de twee mensen met antitrombinedeficiëntie heeft vóór het 40e jaar trombose doorgemaakt. Heeft één van je ouders de aandoening, dan heb je 50 procent kans dat je die ook hebt geërfd.

Mensen met dit erfelijke tekort krijgen niet automatisch een trombose. Het beleid draait meestal om het vermijden van extra risicofactoren waar dat kan, en om het bespreken van hormoongebruik met een arts. Cyberpoli meldt dat meisjes met antitrombinedeficiëntie de combinatiepil (met oestrogenen en progestagenen) wordt afgeraden, ook als de deficiëntie alleen bij een ouder, broer of zus is vastgesteld, omdat hun kans op trombose daarmee veel groter wordt. In periodes met een echt hoog risico, zoals een grote operatie, een lange ziekenhuisopname, een lange vliegreis of zwangerschap en de weken na de bevalling, krijgen mensen vaak tijdelijk een bloedverdunner ter voorkoming. Tijdens de zwangerschap letten artsen dan ook extra op de bloeddruk, vanwege de extra belasting van de bloedvaten.

Artsen raden meestal geen levenslange bloedverdunners aan voor iemand die nooit trombose heeft gehad, omdat die medicijnen zelf een bloedingsrisico geven. Dat moet worden afgewogen tegen een stollingsrisico dat verhoogd is, maar geen zekerheid. Na een eerste trombose adviseren veel artsen juist een langere of blijvende behandeling, omdat de kans op een tweede trombose in deze groep duidelijk hoger is dan gemiddeld. Deze keuzes zijn persoonlijk en worden meestal gemaakt met een internist of hematoloog die ervaring heeft met erfelijke stollingsstoornissen.

Antitrombine en heparine: waarom ze samenhangen

Antitrombine en de bloedverdunner heparine werken als een team. Zelf remt antitrombine trombine en factor Xa vrij langzaam. Heparine bindt aan antitrombine en verandert de vorm een beetje, waardoor de remmende werking ongeveer duizend keer sneller wordt. Daarom kan heparine alleen werken als er genoeg werkzaam antitrombine in het bloed is: heparine versterkt een mechanisme dat antitrombine al heeft, en remt de stolling niet zelfstandig. Cyberpoli zegt het zo: wie een tekort aan antitrombine heeft, is minder gevoelig voor heparine. Andere bloedverdunners, zoals vitamine K-antagonisten (in Nederland vaak via de trombosedienst gecontroleerd) en DOAC’s, werken volgens Cyberpoli wel goed.

Dit verklaart heparineresistentie: iemand heeft dan ongewoon hoge doses heparine nodig voor voldoende antistolling. Volgens een literatuuroverzicht uit 2024 in The Journal of Extra-Corporeal Technology kan heparineresistentie tijdens een hartoperatie verschillende oorzaken hebben [5]. Een tekort aan antitrombine is een van de vaakst genoemde, naast verstoring door een eiwit uit bloedplaatjes (plaatjesfactor 4) en een snellere afbraak van heparine. Als artsen een lage antitrombine als oorzaak vinden, kunnen ze extra heparine geven, vers bevroren plasma toedienen of antitrombine direct aanvullen met een geconcentreerd product.

Nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen

De belangstelling voor antitrombine is de laatste jaren gegroeid op een paar specifieke gebieden, vooral bij hartoperaties en ernstige verwondingen. Onderzoekers proberen uit te zoeken wanneer het aanvullen van antitrombine patiënten helpt en wanneer niet.

Een analyse uit 2023 in Anesthesia and Analgesia bekeek jarenlang onderzoek naar het aanvullen van antitrombine na een hartoperatie [4]. In gewone woorden: patiënten met een lage waarde na hun operatie hadden vaker complicaties. Maar als antitrombine in gerandomiseerde studies werd gegeven om die lage waarde te herstellen, verbeterde dat de uitkomsten niet, en in sommige studies ging het samen met meer nierschade. Voor jou betekent dit dat een lage waarde na een grote operatie vooral een teken is dat het lichaam veel heeft doorgemaakt, zoals koorts laat zien dat het lichaam ergens tegen vecht, en niet een probleem dat je automatisch oplost door extra antitrombine te geven. Dit bewijs is redelijk sterk, omdat het steunt op meerdere prospectieve en gerandomiseerde studies.

Een tweede onderzoeksgebied gaat over een nieuwere oorzaak van heparineresistentie die samenhangt met het medicijn andexanet alfa. Artsen gebruiken dat om bepaalde bloedverdunners in een noodsituatie met een bloeding te couperen. Een snel literatuuroverzicht uit 2025 in het Journal of Thrombosis and Haemostasis bekeek veertien beschreven gevallen waarin patiënten die dit medicijn kregen vóór een spoedhartoperatie, onvoldoende reageerden op heparine voor de hart-longmachine [6]. Het geven van antitrombineconcentraat vóórdat het effect van het medicijn volledig optrad, leek te helpen de stollingstijden veiliger te houden. De auteurs benadrukken dat meer gestructureerd onderzoek nodig is; het gaat om gevalsbeschrijvingen en niet om een grote studie.

Een derde studie keek naar antitrombine buiten de operatiekamer, bij patiënten met hersenletsel door een ongeval [7]. Het onderzoek, gepubliceerd in Frontiers in Immunology, volgde 49 patiënten met alleen hoofdletsel en mat binnen enkele uren na het letsel verschillende stollingswaarden. In gewone woorden: patiënten met een lagere antitrombinewaarde kort na het hoofdletsel hadden zes maanden later veel vaker een slecht herstel. Deze waarde voorspelde de uitkomst beter dan verschillende andere geteste waarden, waaronder de Glasgow Coma Scale aan het bed. Antitrombine zou dus kunnen weerspiegelen hoe het stollings- en ontstekingssysteem reageert op ernstig letsel. De onderzoekers waren duidelijk dat het om één centrum en een beperkt aantal patiënten ging. De betrouwbaarheid is dus matig, en bevestiging in grotere studies is nodig voordat de praktijk verandert.

Wanneer ga je met klachten van trombose naar een arts?

De meeste mensen hebben deze test nooit nodig, en een losse afwijkende uitslag is zelden op zichzelf een spoedgeval. Sommige klachten van een bloedprop moeten wel snel beoordeeld worden, zeker als jij of een naast familielid een bekende stollingsstoornis heeft.

Volgens Thuisarts kan een dik, warm, pijnlijk en roder of donkerder onderbeen een trombosebeen zijn. Bel direct je huisarts of de huisartsen-spoedpost als je kuit dik is, glanst, pijn doet en warmer is dan normaal. Bel ook direct als je sneller ademt dan normaal en ademen pijn doet: dat kunnen klachten zijn van een bloedprop in een long (longembolie). Bij plotselinge ernstige benauwdheid, pijn op de borst of bloed ophoesten bel je 112. Artsen bevestigen zulke bloedpropjes met beeldvorming van de bloedvaten, zoals een echo of een CTA-scan van de bloedvaten, samen met bloedonderzoek zoals de D-dimeer. Deze klachten hebben snelle aandacht nodig, of je nu wel of niet ooit op antitrombinedeficiëntie bent getest.

Het is ook zinvol om testen met je huisarts te bespreken als je vóór je 50e een trombose kreeg zonder duidelijke oorzaak, als twee of meer naaste familieleden trombose of een bekende erfelijke stollingsafwijking hebben, of als je een zwangerschap plant en trombose sterk in de familie voorkomt. Sommige stollingsrisico’s wegen zwaarder tijdens de zwangerschap en de weken na de bevalling.

Wat kan je uitslag beïnvloeden?

Naast een onderliggende stollingsstoornis kunnen verschillende situaties de antitrombine-activiteit veranderen. Artsen beoordelen één waarde daarom altijd in het hele plaatje.

  • Behandeling met heparine, die de gemeten waarde tijdelijk tot onder de referentiewaarden kan verlagen
  • Bloedverdunners die factor Xa remmen, zoals rivaroxaban, apixaban en edoxaban, die de gemeten waarde vals kunnen verhogen en een echt tekort kunnen verbergen
  • Zwangerschap, die meestal tijdelijke, kleine verschuivingen geeft in verschillende stollingseiwitten
  • Een acute ziekte, grote operatie of ernstig letsel, die antitrombine tijdelijk kunnen verlagen doordat het sneller wordt verbruikt
  • Een leverziekte, omdat de lever antitrombine maakt
  • Medicijnen met oestrogenen, waaronder sommige anticonceptiepillen
  • Problemen bij het verwerken van het buisje, zoals niet goed mengen of te laat verwerken, wat laboratoria met strikte protocollen proberen te voorkomen

Door al deze invloeden wordt een lage of hoge uitslag vaak herhaald als een acute ziekte voorbij is en je, als dat medisch veilig is, geen storende medicijnen meer gebruikt. Pas daarna worden conclusies getrokken over een erfelijk tekort.

Hoe antitrombine past bij andere stollingstesten

Deze test wordt bijna nooit los aangevraagd of beoordeeld. Artsen combineren hem meestal met een breder trombofilie-onderzoek naar erfelijke of verworven neigingen tot overmatige stolling. Daarin zitten vaak de activiteit van proteïne C en proteïne S, twee andere natuurlijke antistollingseiwitten met een rol die lijkt op die van antitrombine; een test op factor V Leiden, een veelvoorkomende erfelijke variant waardoor een stollingsfactor moeilijk wordt uitgeschakeld; en onderzoek naar lupus anticoagulans, antistoffen die stolling kunnen bevorderen. Factor V Leiden is in Nederland ontdekt en vernoemd naar de stad Leiden.

Antitrombine-activiteit is iets heel anders dan de bekendere INR bij bloedverdunners, die gebruikt wordt om vitamine K-antagonisten te controleren. De INR laat zien hoe lang het bloed in totaal nodig heeft om te stollen; antitrombine laat zien hoe sterk één bepaalde natuurlijke rem op dat proces is. De aPTT meet een breder deel van de stolling en wordt vaak gebruikt om ongefractioneerde heparine te controleren, terwijl de antitrombinetest juist kan verklaren waarom die heparine bij iemand wel of niet goed werkt. Bij hartingrepen kijken artsen naast de stollingsuitslagen bijvoorbeeld ook op het ecg of er een normaal sinusritme is.

Veelgestelde vragen

Moet ik nuchter zijn voor een antitrombinetest?

Nee, meestal niet. Je kunt vooraf gewoon eten en drinken, tenzij je arts tegelijk andere testen aanvraagt waarvoor je wel nuchter moet zijn. Volg altijd de instructies op je aanvraagformulier.

Kan antitrombine te laag zijn zonder erfelijke oorzaak?

Ja. Een verworven lage waarde door een leverziekte, heparine, een ernstige infectie of een andere acute ziekte komt veel vaker voor dan een erfelijk tekort. Meestal herstelt de waarde als de ziekte voorbij is of het storende medicijn is gestopt.

Wat is het verschil tussen antitrombine-activiteit en antitrombine-antigeen?

De activiteit meet hoe goed het antitrombine-eiwit werkt; het antigeen meet hoeveel eiwit er is, ongeacht of het goed werkt. Samen kunnen ze laten zien of er te weinig eiwit is, een normale hoeveelheid eiwit dat slecht werkt, of allebei.

Wat betekent anticoagulantia?

Anticoagulantia zijn medicijnen die de bloedstolling remmen, in de volksmond bloedverdunners. Voorbeelden zijn heparine, vitamine K-antagonisten zoals acenocoumarol en fenprocoumon, en DOAC’s zoals rivaroxaban en apixaban. Antitrombine zelf is een natuurlijk antistollingseiwit van je eigen lichaam. Heparine werkt alleen via antitrombine; de andere groepen werken op een andere manier.

Wordt antitrombine getest tijdens de zwangerschap?

Soms, vooral bij mensen die zelf of in de familie trombose of herhaalde miskramen hebben gehad. De zwangerschap zelf kan kleine verschuivingen geven in verschillende stollingsfactoren. De uitslag wordt daarom met die context beoordeeld, en de keuze om te testen maak je samen met je gynaecoloog of internist.

Kan een antitrombinetest op zichzelf diffuse intravasale stolling (DIS) aantonen?

Nee, geen enkele test stelt DIS alleen vast. Artsen kijken naar antitrombine samen met het aantal bloedplaatjes, fibrinogeen, de D-dimeer en de protrombinetijd, omdat DIS een herkenbaar patroon geeft in meerdere testen en niet één losse afwijking.

Mijn antitrombine is licht verlaagd. Krijg ik dan zeker trombose?

Nee, niet per se. Een licht verlaagde waarde, zeker een eerste meting tijdens een acute ziekte of heparinebehandeling, betekent niet dat je zeker trombose krijgt. Artsen kijken naar hoeveel de waarde verlaagd is, of dat zo blijft bij herhaling in een stabiele situatie, je familiegeschiedenis en andere risicofactoren, voordat ze je totale risico inschatten.

Woordenlijst

TermUitleg
AntitrombineEen eiwit uit de lever dat de bloedstolling van nature afremt door trombine en factor Xa te remmen.
TrombineEen enzym in het centrum van de stolling dat fibrinogeen omzet in fibrine, het netwerk van een bloedstolsel.
Factor XaEen stollingseiwit dat trombine helpt activeren; verschillende moderne bloedverdunners blokkeren deze factor direct.
Chromogene testEen laboratoriummethode die met een kleurreactie meet hoe actief een eiwit, zoals antitrombine, in een monster is.
HeparineresistentieEen situatie waarin iemand een ongewoon hoge dosis heparine nodig heeft voor het verwachte effect.
Diffuse intravasale stolling (DIS)Een ernstige aandoening, meestal door een zware ziekte of verwonding, waarbij stolling en bloeding in het hele lichaam ontregeld raken.
SERPINC1-genHet gen met de instructies voor het antitrombine-eiwit; veranderingen hierin veroorzaken een erfelijk tekort.
TrombofilieEen verzamelnaam voor erfelijke of verworven aandoeningen die de neiging tot bloedpropjes vergroten.
TrombosebeenEen bloedprop in een diepe ader, meestal in het been, die zwelling en pijn kan geven.
LongembolieEen afsluiting van een slagader in de long door een bloedprop die daar vanuit een ander deel van het lichaam, meestal de benen, terecht is gekomen.

Verder lezen

Bronnen

  • MedlinePlus Genetics, National Library of Medicine, National Institutes of Health — Hereditary antithrombin deficiency, beoordeeld 2013 (medlineplus.gov)
  • Mayo Clinic Laboratories — ATTF: Overview, Antithrombin Activity, Plasma, Test Catalog (mayocliniclabs.com)
  • U.S. Food and Drug Administration — Drugs@FDA record for Thrombate III (antithrombin III human), an FDA-approved antithrombin concentrate (accessdata.fda.gov)
  • Ranucci M, Baryshnikova E, Pistuddi V, Di Dedda U — The Rise and Fall of Antithrombin Supplementation in Cardiac Surgery — Anesthesia and Analgesia, 2023 (doi.org)
  • Butt SP, Kakar V, Kumar A, et al. — Heparin resistance management during cardiac surgery: a literature review and future directions — The Journal of Extra-Corporeal Technology, 2024 (doi.org)
  • Mishima Y, Townsend G, Clifton SC, et al. — Andexanet-induced heparin resistance in cardiac surgery: a rapid review of case reports and series — Journal of Thrombosis and Haemostasis, 2025 (doi.org)
  • Takahashi M, Wada T, Nakae R, et al. — Antithrombin activity levels for predicting long-term outcomes in the early phase of isolated traumatic brain injury — Frontiers in Immunology, 2022 (doi.org)
  • Cyberpoli (Artsen voor Kinderen) — Wat is antitrombine-deficiëntie? — Cyberpoli Trombose, geraadpleegd 2026 (cyberpoli.nl)
  • Thuisarts (NHG) — Ik denk dat ik een trombosebeen heb — Thuisarts.nl, 2026 (thuisarts.nl)

Antitrombine-activiteit is één stukje van een veel groter stollingsbeeld. Het is vaak beter te begrijpen samen met verwante testen zoals de INR, de aPTT en het aantal bloedplaatjes, zeker als je al een labuitslag hebt en niet zeker weet wat de waarden samen betekenen. BloodSense legt zulke waarden uit in gewone taal, zodat je ziet hoe uitslagen met elkaar samenhangen en gerichtere vragen kunt voorbereiden voor je arts.

Begrijp je labuitslag met BloodSense

Het BloodSense-rapport wordt gemaakt door kunstmatige intelligentie, alleen ter informatie. Het is geen diagnose en geen behandeladvies, en het vervangt het oordeel van je huisarts of specialist niet.

Upload je labuitslag en ontvang binnen enkele minuten je persoonlijke rapport.