Een C-peptide-test meet hoeveel insuline je eigen alvleesklier maakt. Daarom beantwoordt hij vragen die een bloedsuikerwaarde alleen niet kan beantwoorden. Telkens als je bètacellen insuline afgeven, geven ze er evenveel C-peptide bij af. Wie C-peptide meet, telt dus je eigen insuline, ook als je daarnaast insuline spuit als medicijn. In dit artikel lees je wat de test meet, welke nuchtere en gestimuleerde referentiewaarden er gelden, hoe je C-peptide naast je glucose leest, hoe je nierfunctie het getal verschuift en wanneer een uitslag een reden is om je huisarts te bellen.

Wat zegt een C-peptide?

Een C-peptidewaarde zegt hoeveel insuline je alvleesklier op dat moment zelf aanmaakt. Insuline verlaat de alvleesklier namelijk niet in één keer kant-en-klaar. Bètacellen bouwen eerst een groter molecuul, pro-insuline. Een enzym knipt dat in twee stukken: het werkzame insulinemolecuul en een verbindingsstuk, het ‘connecting peptide’ of C-peptide. Beide komen in een verhouding van één op één in je bloed.

Die vaste verhouding is de kern van de test. Insuline zelf is lastig betrouwbaar te meten, omdat de lever een groot en wisselend deel ervan verwijdert voordat het je armader bereikt. C-peptide slaat die stap over en blijft langer in het bloed. Het is daarom een stabielere spiegel van wat je alvleesklier heeft gemaakt. Vergelijk de twee in onze uitleg over de insulinetest.

Waarom gespoten insuline je C-peptide niet verhoogt

Insuline uit pennen en flacons bevat geen C-peptide, omdat bij de productie alleen het afgewerkte hormoon wordt gemaakt en niet het voorloperhormoon. Iemand die insuline spuit, kan dus veel insuline in het bloed hebben en bijna geen C-peptide. De NVKC, de vereniging van klinisch chemici, schrijft hetzelfde op haar patiëntensite: insulinemedicatie bevat geen C-peptide.

Dat maakt de marker zo nuttig: hij kijkt door de behandeling heen. Een C-peptide-test laat zien hoeveel insuline je alvleesklier nog zelf maakt, wat je ook spuit. Daarom gebruiken spoedeisende hulpafdelingen hem ook als iemand een gevaarlijk lage bloedsuiker heeft zonder duidelijke oorzaak.

Wat is de normale waarde van C-peptide?

Er is geen vaste normaalwaarde voor C-peptide; elk laboratorium hanteert zijn eigen referentiewaarden. Labs gebruiken verschillende meetmethoden en hetzelfde monster kan op verschillende apparaten andere getallen geven. In Nederland staat C-peptide meestal in nanomol per liter (nmol/L) op de uitslag. Star-shl, een groot huisartsenlaboratorium, gebruikt bijvoorbeeld 0,37 tot 1,47 nmol/L. Lees je uitslag altijd naast de grenzen op je eigen labuitslag. De waarden hieronder zijn gangbare getallen voor volwassenen, alleen ter oriëntatie.

SituatieGangbare waarde (nmol/L)Zelfde waarde (ng/mL)Wat het meestal betekent
Nuchter, gezonde volwasseneOngeveer 0,17 tot 0,90Ongeveer 0,5 tot 2,7Stabiele basisafgifte van insuline tussen de maaltijden
Na een maaltijd of stimulatietestOngeveer 1,0 tot 3,0Ongeveer 3 tot 9De bètacellen kunnen nog opschakelen als het nodig is
Duidelijk insulinetekortOnder ongeveer 0,07Onder ongeveer 0,2Het lichaam maakt zelf heel weinig insuline
Gedeeltelijke restfunctieOngeveer 0,07 tot 0,20Ongeveer 0,2 tot 0,6Een deel van de bètacellen werkt nog, vaak op lange termijn
Nuchtere uitslag boven de labgrensBoven ongeveer 1,0Boven ongeveer 3,0Een alvleesklier die overuren draait, of een tragere afvoer

Nuchter of gestimuleerd meten

Een nuchter monster wordt afgenomen na acht tot twaalf uur alleen water. Het laat de basisproductie zien. Volgens de NVKC mag je soms twaalf uur vooraf niets eten of drinken; dat hoor je van tevoren. Bij een gestimuleerde test wordt de alvleesklier juist uitgedaagd: je eet een gestandaardiseerde maaltijd of krijgt glucagon, en daarna wordt bloed afgenomen. Een gestimuleerde test is gevoeliger als de vraag is of er nog restfunctie van de bètacellen over is. Een alvleesklier die het moeilijk heeft, kan in rust bijna normaal lijken en pas onder belasting tekortschieten. Nederlandse diabetologen schrijven op DiabetesPro dat zo’n stimulatietest meestal twee uur duurt en vooral in wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan. In de praktijk kan een niet-nuchtere C-peptide, gemeten bij een glucose boven 8 mmol/L, type 1 iets beter onderscheiden van type 2 dan een nuchtere meting.

Waarom je arts een C-peptide-test aanvraagt

De marker is zelden een screeningstest. Je arts vraagt hem aan om één specifieke vraag te beantwoorden.

  • Onderscheid maken tussen diabetes type 1 en type 2, als leeftijd, gewicht of reactie op behandeling het beeld onduidelijk maken. Lees meer over het bredere ziektebeeld in ons overzicht over diabetes.
  • Inschatten hoeveel bètacelreserve er nog is, dus hoeveel insulineaanmaak er over is. Dat helpt bepalen of insuline nu nodig is.
  • Onderzoek naar onverklaarde hypo’s (lage bloedsuiker), waarbij de vraag is of de lage suiker komt door je eigen insuline of door insuline van buitenaf.
  • Controle na een transplantatie van eilandjes of van de hele alvleesklier, waarbij een stijgende C-peptide laat zien dat het transplantaat insuline maakt.
  • Inschatten van overmatige insulineafgifte bij insulineresistentie, naast indexen zoals de HOMA-IR-score voor insulineresistentie.

Insulineresistentie speelt ook buiten diabetes een rol. Een veelvoorkomend voorbeeld lees je in onze uitleg over het polycysteus ovariumsyndroom.

C-peptide te laag, normaal of te hoog: wat betekent het?

Een lage uitslag

Een lage C-peptide betekent dat je alvleesklier weinig insuline afgeeft. Samen met een hoge bloedsuiker wijst dat in de richting van diabetes type 1, LADA (auto-immuundiabetes die op volwassen leeftijd begint) of diabetes type 2 die al lang bestaat en waarbij de bètacellen zijn uitgeput. Volgens DiabetesPro is een niet-meetbare of zeer lage C-peptidewaarde een sterke aanwijzing voor type 1. Een lage waarde kan ook voorkomen na een operatie aan de alvleesklier of bij chronische ontsteking. Hoe zo’n ontsteking zich uit, lees je in onze uitleg over alvleesklierontsteking.

Een lage waarde samen met een lage bloedsuiker betekent iets anders. Dan komt de lage suiker waarschijnlijk niet door je eigen insuline. De aandacht gaat dan naar gespoten insuline, alcohol, leverziekte, een tekort aan bijnierhormoon of langdurige ondervoeding.

Wat als de C-peptide te hoog is?

Een te hoge C-peptide betekent meestal dat je alvleesklier extra insuline afgeeft, vaak door insulineresistentie. Je weefsels reageren slecht op insuline en de alvleesklier compenseert. Dat patroon gaat vaak samen met overgewicht, verhoogde triglyceriden in het bloed en een langzaam stijgende HbA1c. Volgens MedlinePlus kan een hoge C-peptide ook voorkomen bij een tumor die insuline maakt, nierfalen, het syndroom van Cushing en bij sulfonylureumderivaten (een groep diabetestabletten). Omdat te veel cortisol een van die oorzaken is, vraagt je arts soms ook een cortisoltest in het bloed aan.

C-peptide en bloedsuiker: de twee samen lezen

Een C-peptidewaarde op zichzelf zegt bijna niets. Pas als het laboratorium in hetzelfde monster, op hetzelfde moment, ook de glucose heeft gemeten, kun je hem beoordelen. DiabetesPro schrijft daarom dat bij een C-peptide-aanvraag altijd ook een glucosemeting hoort. Twee mensen kunnen dezelfde uitslag hebben en een tegenovergesteld probleem, afhankelijk van wat hun bloedsuiker op dat moment deed. Controleer dus altijd of er ook een nuchtere glucosewaarde op je uitslag staat.

C-peptideBloedsuiker op hetzelfde momentWat het paar meestal betekent
LaagHoogTe weinig eigen insuline: diabetes type 1, LADA of uitgeputte bètacellen bij langer bestaande type 2
LaagLaagLage suiker die niet door eigen insuline komt: gespoten insuline, alcohol, lever- of bijnierproblemen, lang vasten
Normaal of hoogHoogEr wordt insuline gemaakt, maar die werkt slecht: insulineresistentie en diabetes type 2
HoogLaagTe veel eigen insuline: een insuline makende tumor, sulfonylureumderivaten of lage suiker na een maagverkleining
NormaalNormaalAanmaak en behoefte zijn in balans; het geruststellende patroon
HoogNormaal, met verminderde nierfunctieDe nieren voeren C-peptide langzaam af, eerder dan dat de alvleesklier te veel maakt

Hoe je nierfunctie de uitslag verandert

C-peptide wordt bijna volledig door de nieren uit het bloed verwijderd; insuline niet. Daarom lopen de twee markers uit elkaar als je nierfunctie achteruitgaat. Als het filteren trager gaat, hoopt C-peptide zich op en stijgt de gemeten waarde, terwijl je alvleesklier niet meer is gaan maken.

Bij nierschade door diabetes kan een hoge C-peptide daarom ten onrechte worden gelezen als bewijs voor een ruime insulinereserve. Artsen beoordelen de waarde daarom samen met nierwaarden, zoals de eGFR (geschatte nierfunctie). Twee vroege markers om te kennen zijn de albumine-kreatinineratio in de urine en de verwante test op micro-albuminurie.

Wat de test kan verstoren

  • Eten voor een nuchtere afname. Voedsel verhoogt C-peptide binnen enkele minuten.
  • Een lage bloedsuiker op het moment van prikken. Een gezonde alvleesklier remt de insulineafgifte als de suiker laag is. Een lage C-peptide tijdens een hypo kan dus een normale reactie zijn, en geen falende bètacellen.
  • Een heel hoge bloedsuiker bij de diagnose. Een zeer hoge suiker verdooft de bètacellen tijdelijk (glucosetoxiciteit), waardoor de reserve slechter lijkt dan hij is. Een herhaling na enkele weken geeft een eerlijker beeld.
  • Medicijnen die de alvleesklier aanzetten, zoals sulfonylureumderivaten. Prednison en andere corticosteroïden verhogen de waarde indirect, doordat ze insulineresistentie verergeren.
  • Een verminderde nierfunctie, zoals hierboven beschreven.
  • De meetmethode van het lab zelf. Daardoor zijn uitslagen van verschillende laboratoria slecht te vergelijken.

Het beeld op langere termijn, waarin je elke losse meting kunt plaatsen, zie je in je HbA1c-uitslag.

Wanneer naar de huisarts, en wat deze test niet kan vertellen

Maak snel een afspraak met je huisarts als je vaker last hebt van trillen, zweten, verwardheid of flauwvallen dat beter wordt na eten. Doe dat ook als je zonder reden afvalt terwijl je veel dorst hebt en veel plast, of als je diabetesbehandeling niet meer werkt. Zoek direct hulp bij een ernstige hypo, overgeven met diepe snelle ademhaling of verwardheid die niet overgaat. Bij levensgevaar: bel 112. ’s Avonds en in het weekend bel je de huisartsenpost.

Wees ook duidelijk over de grenzen. Een C-peptide-test stelt in zijn eentje geen diabetes vast; dat doen glucose en HbA1c. Hij meet niet hoe goed je bloedsuiker is ingesteld, voorspelt geen complicaties en spoort geen auto-immuunproces op; daarvoor zijn antistoftesten nodig. Het is een momentopname. Een twijfelachtige waarde moet daarom eerst herhaald worden voordat er een behandelbeslissing op wordt gebaseerd.

Nieuwste wetenschappelijke inzichten

Dit vonden vier recente onderzoeken, en dit betekent elk ervan voor jou.

Eén afkapwaarde kan de twee hoofdtypen diabetes scheiden

Een onderzoek uit 2024 bij poliklinische patiënten in Abu Dhabi vond dat een lage nuchtere C-peptide diabetes type 1 in de grote meerderheid van de gevallen goed herkende, terwijl de waarden bij type 2 veel hoger lagen. Wat dit voor jou betekent: als het type echt onduidelijk is, geeft één bloedafname meestal uitsluitsel. Het was een terugkijkend onderzoek uit één regio, dus de precieze afkapwaarde kan elders anders liggen.

Volwassenen met type 1 krijgen vaak eerst een verkeerd label

Een overzicht uit 2025 meldde dat minstens één op de drie volwassenen die eigenlijk type 1 hebben, eerst als type 2 wordt aangemerkt. Daardoor krijgen ze de insuline die ze nodig hebben later. C-peptide wordt hier te weinig gebruikt. Wat dit voor jou betekent: kreeg je de diagnose als volwassene en werkten je tabletten binnen een paar jaar niet meer, dan is het redelijk om te vragen of C-peptide en antistoffen meer duidelijkheid geven.

Bètacellen sparen is nu een behandeldoel

Een netwerk-meta-analyse uit 2025, een methode om behandelingen te vergelijken die nooit rechtstreeks tegen elkaar zijn getest, bundelde zestig studies bij mensen met net vastgestelde type 1. Elf behandelingen die op het afweersysteem werken, behielden na een jaar meer C-peptide dan een placebo. Wat dit voor jou betekent: een deel van je eigen insulineaanmaak behouden geldt nu als iets om te beschermen. Het bewijs is wel wisselend en het blijft onderzoek, geen gewone zorg.

Het getal hangt deels af van het apparaat dat het meet

In een vergelijking uit 2023 gingen dezelfde monsters door vijf veelgebruikte C-peptidetests. De uitslagen verschilden flink; het grootste verschil tussen twee apparaten was meer dan een derde van de waarde. Wat dit voor jou betekent: vergelijk geen uitslag van het ene lab met die van een ander lab, en wees voorzichtig met waarden op de grens.

Woordenlijst

BegripUitleg
C-peptideHet stukje eiwit dat de alvleesklier in dezelfde hoeveelheid als insuline afgeeft. Door het te meten schat je hoeveel insuline je lichaam zelf maakte.
BètacellenDe cellen in de alvleesklier die insuline maken en afgeven. Ze liggen in groepjes, de eilandjes van Langerhans.
Pro-insulineHet grotere voorlopermolecuul dat bètacellen knippen in insuline en C-peptide, vlak voor de afgifte.
InsulineresistentieEen toestand waarin spieren, lever en vetweefsel slecht op insuline reageren, zodat de alvleesklier er meer van moet maken.
Gestimuleerde C-peptide-testEen variant waarbij een gestandaardiseerde maaltijd of een glucagoninjectie de alvleesklier uitdaagt vóór de bloedafname.
InsulinoomEen zeldzame, meestal goedaardige tumor in de alvleesklier die insuline maakt en steeds hypo’s veroorzaakt.
GlucosetoxiciteitEen tijdelijke toestand waarin een heel hoge bloedsuiker de insulineafgifte remt, zodat de reserve slechter lijkt dan hij is.
ImmunoassayDe meetmethode met antistoffen waarmee C-peptide wordt bepaald. Verschillende merken komen niet altijd overeen.

Veelgestelde vragen

Moet ik nuchter zijn voor een C-peptide-test?

Dat hangt af van de vraag. Een nuchter monster, na acht tot twaalf uur alleen water, is standaard als het om je basisaanmaak van insuline gaat. Wil je arts zien hoe je alvleesklier reageert op een uitdaging, dan eet je juist een vaste maaltijd of krijg je glucagon voor de afname. Volg de instructies op je aanvraagformulier. Zeg het als je per ongeluk hebt gegeten: een monster na het eten dat als nuchter wordt gelezen, lijkt ten onrechte hoog.

Wat is een normale C-peptidewaarde?

Bij de meeste volwassenen ligt een nuchtere waarde rond 0,17 tot 0,90 nmol/L (ongeveer 0,5 tot 2,7 ng/mL). Na een maaltijd of stimulatietest is ongeveer 1,0 tot 3,0 nmol/L gebruikelijk. Nederlandse labs hanteren hun eigen grenzen, zoals 0,37 tot 1,47 nmol/L bij Star-shl, dus het interval op je eigen labuitslag telt. Een waarde binnen de grenzen is niet vanzelf geruststellend, omdat je hem moet lezen naast de bloedsuiker uit dezelfde afname.

Wat betekent een te lage C-peptide?

Het betekent dat je alvleesklier op dat moment weinig insuline afgaf. Samen met een hoge bloedsuiker wijst dat op diabetes type 1, LADA of type 2 met uitgeputte bètacellen. Samen met een lage bloedsuiker is het juist geruststellend over je alvleesklier, en gaat de aandacht naar insuline van buitenaf, alcohol of lever- en bijnierproblemen.

Wat als de C-peptide te hoog is?

Meestal past het bij insulineresistentie: je weefsels reageren slecht, dus de alvleesklier compenseert. Andere verklaringen zijn een insuline makende tumor, sulfonylureumderivaten, te veel cortisol en een verminderde nierfunctie die C-peptide trager afvoert. Omdat de oorzaken zo verschillen, is een hoge waarde een reden voor verder onderzoek, geen diagnose.

Wat is het verschil tussen een C-peptide-test en een insulinetest?

Een insulinetest meet alle insuline in je bloed, ook wat je hebt gespoten. Een C-peptide-test meet alleen wat je alvleesklier zelf maakte, omdat fabrieksinsuline geen C-peptide bevat. C-peptide is ook stabieler, omdat de lever het niet direct uit het bloed haalt. Moet bij iemand die insuline gebruikt de eigen aanmaak worden beoordeeld, dan geeft C-peptide het antwoord.

Kan deze test zeggen of ik type 1 of type 2 heb?

Hij draagt er sterk aan bij, maar is niet het hele antwoord. Een duidelijk lage waarde met een hoge bloedsuiker past bij type 1; een normale of hoge waarde past bij type 2. Er is overlap, vooral in de eerste maanden na de diagnose. Volgens DiabetesPro onderscheidt C-peptide type 1 veel beter drie tot vijf jaar na de diagnose. Artsen combineren C-peptide met antistoffen tegen de eilandjes, de leeftijd bij het begin, het lichaamsgewicht en de reactie op behandeling.

Bronnen

  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde (NVKC) — C-peptide — Allesovertesten.nl — allesovertesten.nl
  • Star-shl — Insuline C-peptide: referentiewaarden — Laboratoriumbepalingen — star-shl.nl
  • Uitbeijerse B, de Koning E — Autoantistoffen en C-peptide bij de diagnose type 1 diabetes — DiabetesPro, 2022 — diabetespro.nl
  • MedlinePlus, National Library of Medicine (VS) — C-peptidetest — medlineplus.gov
  • National Institute of Diabetes and Digestive and Kidney Diseases (VS) — Diabetestests en diagnose — niddk.nih.gov
  • Centers for Disease Control and Prevention (VS) — Over diabetes — cdc.gov
  • Mayo Clinic — Hypoglykemie: symptomen en oorzaken — mayoclinic.org
  • Iqbal S, Abu Jayyab A, Alrashdi AM, et al. — De voorspellende waarde van C-peptide bij het onderscheid tussen diabetes type 1 en type 2 bij poliklinische patiënten in Abu Dhabi — Clinical Therapeutics, 2024 — doi.org/10.1016/j.clinthera.2024.07.002
  • Evans-Molina C, Oram RA — Diabetes type 1 op volwassen leeftijd: trends, diagnostische uitdagingen en bijzondere kenmerken — Diabetes, Obesity and Metabolism, 2025 — doi.org/10.1111/dom.16402
  • Beese SE, Price MJ, Tomlinson C, et al. — Systematische review en netwerk-meta-analyse van behandelingen om de bètacelfunctie te behouden bij mensen met pas vastgestelde diabetes type 1 — BMC Medicine, 2025 — doi.org/10.1186/s12916-025-04201-z
  • Hörber S, Orth M, Fritsche A, Peter A — Vergelijkbaarheid van C-peptidemetingen: huidige stand en klinische betekenis — Experimental and Clinical Endocrinology and Diabetes, 2023 — doi.org/10.1055/a-1998-6889

Verder lezen

Begrijp je labuitslag met BloodSense

Een C-peptidewaarde krijgt pas betekenis naast de getallen eromheen: de bloedsuiker uit dezelfde afname, je HbA1c en je nierwaarden. BloodSense leest je labuitslag als geheel en legt in gewone taal uit wat elke uitslag betekent en welke combinaties een gesprek met je huisarts waard zijn. Het helpt je je uitslag te begrijpen. Het BloodSense-rapport stelt geen diagnose en vervangt het oordeel van je huisarts niet.

Laat je labuitslag binnen enkele minuten uitleggen